Centrale Raad van Beroep 17 mei 2016 (huis in Turkije), ECLI:NL:CRVB:2016:1881

Centrale Raad van Beroep 17 mei 2016 (huis in Turkije), ECLI:NL:CRVB:2016:1881

Het geschil komt er in de kern op neer dat het college het door het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verkregen bewijsmateriaal niet aan de besluitvorming ten grondslag mag leggen, omdat dit onrechtmatig is verkregen. Appellanten voeren daartoe, kort gezegd, aan dat het IBF, gelet op het beleid van het IBF, pas mag worden ingeschakeld nadat sprake is van een concreet signaal. Van een concreet signaal is in dit geval geen sprake. Daarnaast heeft het IBF op onrechtmatige wijze de TC Kimlik-nummers (het Turkse Burgerservicenummer) van appellanten verkregen. Deze nummers zijn gebruikt door een daartoe niet bevoegde derde. Verder maakt het onderzoek door het IBF een ongerechtvaardigde inbreuk op het privéleven van appellanten.

Ingevolge art. 53a van de WWB is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. Het staat het college bovendien in beginsel vrij om te bepalen op welke wijze het onderzoek verricht.

De inbreuk die het Bureau op het privéleven van appellanten heeft gemaakt door de gehanteerde onderzoeksmiddelen was niet onevenredig zwaar in verhouding tot het hiervoor beschreven met het onderzoek beoogde doel van het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland. Het raadplegen van het internet en het onderzoek bij een afdeling onroerend zaakbelasting van een gemeente in Turkije, vormden onder de gegeven omstandigheden een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant. Het al dan niet beschikken over een onroerende zaak vormt immers maar een zeer bescheiden, vooral uiterlijk en weinig privé onderdeel van het privéleven van appellant. De stelling van appellant in dit kader dat het opvragen van gegevens bij overheidsorganisaties in Turkije door het IBF onrechtmatig was, omdat het IBF geen bevoegdheid in Turkije heeft, slaagt niet. Het IBF heeft enkel verzocht om gegevens die vervolgens al dan niet door die organisaties zijn gegeven.

Categorieën: Bestuursrecht

Tags: , ,