Gerechtshof Amsterdam 12 april 2016 (specificatie dataverkeer), ECLI:NL:GHAMS:2016:1426

Gerechtshof Amsterdam 12 april 2016 (specificatie dataverkeer), ECLI:NL:GHAMS:2016:1426

Het meest verstrekkend vervolgens in het betoog van appellante is, dat zij het door Vodafone en in haar voetspoor Intrum gestelde dataverbruik betwist. Zij heeft daarbij gewezen op haar min of meer reguliere en aanzienlijk lagere gemiddelde verbruik in de maanden voorafgaand aan december 2012, de slechte ontvangst in haar huis, de technische onmogelijkheid om zoveel data in zo’n korte tijd “binnen te halen” en de vele klachten over spookgebruik bij Vodafone in het algemeen. Appellante heeft daarom direct na ontvangst van de betreffende facturen aan Vodafone verzocht om verdere specificatie en toelichting en meer dan uitsluitend de door Vodafone aan haar verstrekte overzichten over december 2012 en januari 2013, die behoudens de daarin genoemde tijdstippen en hoeveelheden geen inzicht in het gefactureerde dataverbruik geven. Voor zover de grief daarop is gericht slaagt deze.

Het is aan Intrum om haar stellingen met betrekking tot het gebruik door appellante aannemelijk te maken en bij betwisting te bewijzen. Intrum heeft volstaan met het overleggen van facturen over de maanden december 2012 en januari 2013 met als bijlage een opgave van onder meer het dataverkeer. Met de door appellante voorafgaand aan de procedure en ook in de procedure herhaaldelijk geopperde bezwaren en tegenwerpingen, gericht op het verkrijgen van meer en duidelijke informatie over de aard van dat aan appellante toegerekende dataverkeer heeft noch Vodafone, noch Intrum iets gedaan. Integendeel, Vodafone heeft de bezwaren van appellante , zonder enig onderzoek in te stellen, terzijde gelegd en Intrum heeft niet de moeite genomen in de procedure te concretiseren op grond waarvan kan worden aangenomen dat de registratie van het dataverkeer gezien de door appellante gestelde omstandigheden – die een voldoende gemotiveerde betwisting van het gefactureerde dataverbruik inhouden – niettemin als deugdelijk kan worden aangemerkt. De enkele bewering dat het verbruik is geregistreerd en dat deze registratie zorgvuldig is geschied is daartoe bepaald onvoldoende, te meer nu het verschaffen van feitelijke gegevens op dit punt in het processuele domein van Intrum ligt.

Categorieën: Bewijs (privaatrechtelijk), Verbintenissenrecht

Tags: , , ,