Gerechtshof Den Haag 11 augustus 2015 (niet onverwijld), ECLI:NL:GHDHA:2015:2116

Gerechtshof Den Haag 11 augustus 2015 (niet onverwijld), ECLI:NL:GHDHA:2015:2116

Geïntimeerde, werkgever, stelt zelf dat ‘het pornosurfen’ van appellant reeds toen het werd ontdekt, derhalve reeds vóór september 2012, een dringende reden voor ontslag van appellant vormde. Tijdens het pleidooi heeft geïntimeerde bevestigd dat begin 2012 een firewall is geïnstalleerd op de nieuwe server en toen is geconstateerd dat appellant veelvuldig naar porno surfte. Geïntimeerde heeft gewacht tot 12 september 2012 om appellant op staande voet te ontslaan. Tijdens het pleidooi heeft geïntimeerde verklaard dat al langer bekend was dat appellant naar porno surfte, maar dat pas besloten werd tot het ontslag op staande voet nadat bleek dat er was gezocht naar kinderporno, waarvan ook aangifte is gedaan. De zedenpolitie heeft echter geen kinderporno aangetroffen.

Volgens vaste rechtspraak bepaalt de door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden de omvang van het debat tussen partijen, vgl. HR 29 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939. Uit de ontslagbrief blijkt dat het ontslag met name is gegrond op het veelvuldig bezoeken van pornosites door appellant tijdens werktijd. Dat hiervan sprake was, was reeds in februari 2012 bij de directie van geïntimeerde bekend.

De slotsom is dat geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag als gevolg van een dringende reden. Appellant heeft recht op loon vanaf 11 september 2012.

Categorieën: Arbeidsrecht, Internet op het werk

Tags: , , , , ,