Gerechtshof Den Haag 11 november 2014 (patisserie), ECLI:NL:GHDHA:2014:4670

Gerechtshof Den Haag 11 november 2014 (patisserie), ECLI:NL:GHDHA:2014:4670

Bij de beoordeling van de grief dient allereerst de vraag te worden onderzocht of geïntimeerde aannemelijk heeft gemaakt dat zijn verklaring in de vorm van het zetten van zijn handtekening onder de overeenkomst niet op zijn wil berustte deze overeenkomst aan te gaan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het bij deze overeenkomst ging om een overeenkomst voor internet publicaties met een publicitair karakter en in het geval van geïntimeerde meer concreet om het product Search Engine Advertising (SEA) waarbij geïntimeerde gekozen zou hebben voor de ontwikkeling van een website met CMS van maximaal zes pagina’s omdat geïntimeerde nog niet beschikte over een website. De overeenkomst had een duur van 48 maanden, was niet tussentijds opzegbaar en legde op geïntimeerde betalingsverplichtingen tot in totaal ruim € 13.000,=. Het betreft hier dus een overeenkomst die voor een eigenaar van een kleine patisserie allerminst doorsnee is en, naar aannemelijk is, voor hem een substantiële financiële belasting zou (kunnen) vormen. Geïntimeerde heeft zijn handtekening gezet nadat hij, weliswaar na een – op initiatief van BeUp- gemaakte afspraak, maar verder onaangekondigd in zijn winkel is benaderd door twee vertegenwoordigers van BeUp, die vervolgens gedurende ongeveer twee uren een verkoopgesprek hebben gevoerd dat geïntimeerde (zoals onvoldoende betwist) tien keer heeft moeten onderbreken om klanten van dienst te zijn. Voorts heeft geïntimeerde zijn handtekening gezet nadat (ook onvoldoende betwist) hem was voorgehouden dat alleen nog die dag speciale, voor geïntimeerde gunstige voorwaarden golden. Ten slotte staat vast dat geïntimeerde voor de ondertekening van de overeenkomst geen bedenktijd is aangeboden. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat geïntimeerde aannemelijk heeft gemaakt dat zijn verklaring (het zetten van zijn handtekening onder de overeenkomst) niet op een dienovereenkomstige wil berustte, zodat in beginsel geen overeenkomst tot stand gekomen is (artikel 3:33 BW).

Onder voornoemde omstandigheden mochten de vertegenwoordigers van BeUp er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat geïntimeerde voldoende begreep waarvoor hij tekende en zijn handtekening een uiting was van zijn wil de overeenkomst aan te gaan.

Categorieën: Verbintenissenrecht

Tags: , , , , ,