Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 oktober 2015 (Tijned-gedoe), ECLI:NL:GHSHE:2015:4319

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 oktober 2015 (Tijned-gedoe), ECLI:NL:GHSHE:2015:4319

Ten aanzien van deze website stelt appellant onder meer het volgende. De Stichting Horecafraude heeft gebruik gemaakt van genoemde domeinnaam. Geïntimeerde is samen met medegedaagde-1 bestuurder geweest van de stichting. Daarom en gezien de inhoud van de geplaatste berichten op de site, kan worden vastgesteld dat geïntimeerde betrokken was bij de publicaties op deze site.

Gelet op de vermelding in het handelsregister had van geïntimeerde verwacht mogen worden dat hij zijn betwisting van het gestelde verband tussen de Stichting Horecafraude en de litigieuze website had toegelicht of onderbouwd. Dit heeft hij in het geheel niet gedaan. Daarom staat naar het oordeel van het hof als onvoldoende gemotiveerd bestreden vast: dat er sprake was van het gestelde verband tussen Stichting Horecafraude en de website (inhoudend dat de stichting die website voerde) en dat de gestelde publicaties zijn verricht vanuit de stichting.

Een algemeen verbod om in de toekomst appellant en/of diens vennootschappen in verband te brengen met het plegen van strafbare feiten vormt, mede vanwege het verkillende effect hiervan, een te ver gaande inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van geïntimeerde .

Een verbod om ‘andere onrechtmatige uitlatingen over appellant en/of diens vennootschappen op het internet te doen’ is eveneens te algemeen geformuleerd (nu onvoldoende duidelijk is voor geïntimeerde wat wel en niet onder het verbod valt) om te kunnen worden toegewezen .

Met betrekking tot de vraag of de uitingen ten tijde van publicatie steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, rust naar het oordeel van het hof de stelplicht en zo nodig de bewijslast op geïntimeerde. Voor zover deze bewijslastverdeling afwijkt van artikel 150 Rv, is aanleiding voor een (in het algemeen met terughoudendheid toe te passen) uitzondering op de hoofdregel. Degene die een diffamerende bewering openbaar maakt, dient in beginsel bij tegenspraak aan te tonen over voldoende aanknopingspunten voor de (feitelijke) juistheid van deze bewering te beschikken of anderszins niet lichtvaardig te hebben gehandeld. Ook over dit aspect heeft geïntimeerde geen concrete feiten of aanknopingspunten gesteld.

Al het voorgaande overziend en afwegend, oordeelt het hof dat het recht van appellant op bescherming van zijn eer en goede naam onder deze concrete omstandigheden zwaarder weegt dan het recht op vrije meningsuiting van geïntimeerde. Dit betekent dat genoemde 27 uitingen onrechtmatig zijn (geweest) jegens appellant.

Categorieën: Onrechtmatige uitingen (privaatrechtelijk), Verantwoordelijkheid voor website, Vrijheid van meningsuiting

Tags: , , , ,