Raad van State 24 april 2015 (Iraniër op Facebook), ECLI:NL:RVS:2015:1336

Raad van State 24 april 2015 (Iraniër op Facebook), ECLI:NL:RVS:2015:1336

De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat ook uit het ambtsbericht niet volgt dat alle Iraniërs van wie informatie op het internet is te vinden in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staan.  Hoewel uit door de vreemdeling ingebrachte stukken blijkt dat de Iraanse autoriteiten bijzondere aandacht hebben voor op internet geplaatste uitlatingen van Iraniërs, in het bijzonder uitlatingen op “social media”, waaronder Facebook, heeft de vreemdeling hiermee niet alsnog aannemelijk gemaakt dat de staatssecretaris ten onrechte voormeld standpunt heeft ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank over de ongeloofwaardigheid van de gestelde bekering van de vreemdeling blijft in hoger beroep in stand. Dat van een vreemdeling gevergd wordt om gebruik te maken van de mogelijkheid informatie van het internet te verwijderen, dan wel dat zij dergelijke informatie niet plaatst, kan in zaken als deze daarom niet worden aangemerkt als het betrachten van terughoudendheid bij het uitoefenen van een geloofsovertuiging in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012, C-71/11 en C-99/11, Bondsrepubliek Duitsland tegen Y en Z (ECLI:EU:C:2012:518) en de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2012 in zaak nr. 201202404/1/V2. Reeds omdat de geloofsovertuiging ongeloofwaardig is, wordt die vreemdeling immers niet in de uitoefening van een geloofsovertuiging belemmerd. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij, door haar

Facebook-pagina en de daarop geplaatste geloofsuitingen, noodzakelijkerwijs in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten is komen te staan, dan wel bij terugkeer zal komen te staan.

Categorieën: Sociale netwerksites, Vreemdelingenrecht

Tags: , , ,