Rechtbank Den Haag 22 november 2016 (Whatsapp-vertegenwoordiger), ECLI:NL:RBDHA:2016:14088

Rechtbank Den Haag 22 november 2016 (Whatsapp-vertegenwoordiger), ECLI:NL:RBDHA:2016:14088

In artikel 4, derde lid, van de Wbp is bepaald dat de lokale vertegenwoordiger aan de Wbp dient te voldoen en geacht wordt de verantwoordelijke te zijn. In de richtlijn is bepaald dat de verantwoordelijke een op het grondgebied van de betrokken lidstaat gevestigde vertegenwoordiger moet aanwijzen, onverminderd rechtsvorderingen die tegen de voor de verwerking verantwoordelijke zelf kunnen worden ingesteld. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat ook in de richtlijn de verplichting wordt geschapen om een vertegenwoordiger aan te wijzen die door de toezichthoudende autoriteit kan worden aangesproken in het kader van het waarborgen van de rechten en verplichtingen waarin de richtlijn voorziet. De rechtbank ziet zich daarin gesteund door het advies over toepasselijk recht van 16 december 2010, uitgebracht door de zogenoemde artikel 29-Groep, die is opgericht op grond van artikel 29 van de richtlijn en fungeert als onafhankelijk Europees adviesorgaan inzake gegevensbescherming en de persoonlijke levenssfeer. Op bladzijde 21 van dat advies is vermeld dat met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Privacyrichtlijn is beoogd het recht op de bescherming van persoonsgegevens dat deze richtlijn biedt te waarborgen, zelfs indien de voor de verwerking verantwoordelijke niet is gevestigd op het grondgebied van de EU. Voorts is in dat advies vermeld dat de werkingssfeer van artikel 4, eerste lid onder c, van de richtlijn verduidelijking behoeft gezien de doelstelling van de richtlijn om personen te beschermen en juridische leemten in de toepassing van de beginselen voor de gegevensbescherming te voorkomen. Het HvJ heeft vervolgens in het arrest van 13 mei 2014, C-131/12, Google Spain overwogen dat artikel 4 van de richtlijn niet restrictief mag worden uitgelegd.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog van eiseres dat artikel 4, derde lid, van de Wbp verder gaat dan artikel 4, tweede lid, van de richtlijn. Het laat naar het oordeel van de rechtbank overigens de mogelijkheid onverlet dat de verantwoordelijke en de vertegenwoordiger overeenkomen dat boetes en lasten onder dwangsom vanwege eventuele overtredingen van de Wbp voor rekening van de verantwoordelijke komen.

Categorie├źn: Bestuursrecht, Chat, WBP

Tags: , ,