Rechtbank Midden-Nederland 25 februari 2015 (FFF v. Sigmatex), ECLI:NL:RBMNE:2015:2292

Rechtbank Midden-Nederland 25 februari 2015 (FFF v. Sigmatex), ECLI:NL:RBMNE:2015:2292

Twistpunt voor partijen is ten eerste de vraag of FFF achteraf bezien te hoge bedragen heeft gefactureerd aan Sigmatex voor de verschepingen die zij in 2012 en 2013 voor Sigmatex heeft verzorgd. Gelet op de uitlatingen op de websites van APL en FFF is Sigmatex met APL en FFF overeengekomen dat tegen concurrerende prijzen zou worden vervoerd. Sigmatex heeft hierop vertrouwd. Maar eind 2013 is Sigmatex benaderd door een concurrent van APL die heeft gesteld dat hij tegen lagere tarieven dan FFF containervervoer kon (laten) verzorgen. Sigmatex heeft daarom te veel betaald voor het vrachtvervoer door FFF, aldus telkens Sigmatex.

De kantonrechter stelt voorop dat Sigmatex in beginsel de tarieven dient te betalen die zij telkens voor elke specifieke verscheping is overeengekomen met FFF. Een (nadere) overeenkomst tussen partijen dat Sigmatex alleen gehouden is tot betaling van ten hoogste het tarief bij een concurrent, is niet gebleken. Een enkele algemene mededeling op de website van FFF dat zij – vanuit het Engels vertaald – de meest aantrekkelijk geprijsde manier van vracht kan vinden, brengt niet automatisch een dergelijke overeenkomst mee.

De kantonrechter is verder ook van oordeel dat er geen sprake is geweest van bedrog door FFF. De kantonrechter merkt de vermelding op de website van FFF inhoudende dat zij de meest aantrekkelijk geprijsde manier van vracht kan vinden, aan als een aanprijzing in algemene bewoordingen (zoals “de beste” en “de snelste”). In artikel 3:44, derde lid, BW staat dat aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, op zichzelf geen bedrog opleveren.

Categorieën: Verbintenissenrecht

Tags: , ,