Rechtbank Noord-Holland 11 maart 2016 (Dopper), ECLI:NL:RBNHO:2016:1879

Rechtbank Noord-Holland 11 maart 2016 (Dopper), ECLI:NL:RBNHO:2016:1879

De voorzieningenrechter overweegt dat de Hoge Raad bij arrest van 18 januari 2008 heeft overwogen dat “(mede) door de opkomst van het internet niet nauwkeurig meer worden omschreven wat in de hier bedoelde zin is te verstaan onder ‘de pers’ omdat daardoor ook voor particulieren de mogelijkheid is ontstaan zich buiten de tot dan toe bestaande media tot een breed publiek te richten” en heeft geaccepteerd dat ten aanzien van een meningsuiting die gericht is tot een breed publiek met het oogmerk om dat publiek te informeren de maatstaven worden aangelegd die ten aanzien van perspublicaties worden aangelegd (ECLI:NL:HR:2008:BB3210). De voorzieningenrechter zal daarvan uitgaan, onder de aantekening dat die maatstaven niet alleen vrijheid (tot het doen van uitingen) maar ook verantwoordelijkheid (onderzoek, proportionaliteit, presentatie) impliceren.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de uitlatingen van gedaagde aan het adres van Dopper c.q. eigenaar moeten worden gekenschetst als een ongenuanceerd mengsel van suggestieve, grove beweringen en (veelal) zeer stellige en als feit geponeerde beschuldigingen. Gedaagde heeft zijn berichten immers voorzien van hashtags als ‘Doppergate’, ‘Plagiaat (loont)’, ‘jatwerk’, ‘fraude’, ‘oplichters’ en gelijksoortige kwalificaties, alsmede toevoegingen als ‘misdaad loont’, ‘De gifbeker moet helemaal leeg’ en ‘Das haben wir nicht gewusst’. Waar (de raadsman van) gedaagde het doet voorkomen dat gedaagde alleen poneert dat “naar zijn mening het ontwerp van de Dopper inbreuk maakt op het ontwerp van de H2O fles”, is dat dan ook een miskenning van de werkelijkheid. Daar komt bij dat de uitlatingen van gedaagde niet alleen gericht zijn tot Dopper en/of eigenaar, maar in hoofdzaak tot derden die in het geheel niets met de vermeende auteursrechtinbreuk door Dopper te maken hebben.

Ter zitting heeft de raadsman van gedaagde gesteld dat de gewraakte uitlatingen van gedaagde op íeder bericht op Twitter zijn geuit, waarmee hij (kennelijk) heeft bedoeld dat de uitlatingen om die reden door het publiek dat zich begeeft op Twitter zullen worden begrepen als slechts de persoonlijke mening van gedaagde en (derhalve) wel met een korreltje zout zullen worden genomen. Dat verweer is in zoverre juist dat gedaagde inderdaad enkele tweets heeft geschreven die door een vragende en enigszins spottende toonzetting opvallen. Maar dat is onvoldoende om afbreuk te doen aan het algemene beeld van die uitlatingen als hiervoor gekenschetst. Enige overdrijving is, afhankelijke van context, vooral in columns weliswaar een toelaatbaar geacht stijlmiddel om nadruk op de inhoud te geven, maar een stellig statement dat iets plagiaat is of “stolen” is, terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake is, kan niet als overdrijving worden beschouwd. De door partijen besproken uitlatingen wekken verder de indruk dat gedaagde op íeder bericht op Twitter waarin de hashtag #dopper of de naam @De_Dopper is opgenomen reageert, en wel steeds op een vermanende of ronduit verwijtende toon. Mede gelet op de veelheid van berichten en de daarin gebruikte (volstrekt ongenuanceerde) woordkeuze, is niet zozeer sprake van geïnformeerde berichtgeving of persoonlijke meningsuiting, maar veeleer van een heksenjacht van gedaagde tegen Dopper.

Categorieën: Onrechtmatige uitingen (privaatrechtelijk), Pers, Twitter

Tags: , , ,