Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam 9 maart 2016 (Barendrecht), ECLI:NL:RBROT:2016:1754

Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam 9 maart 2016 (Barendrecht), ECLI:NL:RBROT:2016:1754

Geschil naar aanleiding van Wob-verzoek. Verzoeker heeft ter zitting voorts gesteld dat het bestreden besluit door verweerder ongeanonimiseerd is gepubliceerd en op internet is terug te vinden. Volgens verzoeker betreft dit een onrechtmatige openbaarmaking en is sprake van “naming and shaming”, in verband waarmee voor hem een spoedeisend belang moet worden aangenomen.

De voorzieningenrechter acht het niet onmogelijk dat, in de lijn van de uitspraak van de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 5 juni 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BD5277, rechtsoverweging 2.5, de voorlopige voorziening wordt getroffen dat het besluit niet met toepassing van artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet openbaar wordt gemaakt, althans dat de openbaarmaking (deels) ongedaan wordt gemaakt. De voorzieningenrechter van het CBb oordeelde in die uitspraak als volgt:

“Waar de voorzieningenrechter in het algemeen bevoegd is om besluiten waartegen beroep bij zijn rechtscollege loopt te schorsen, is hij ook bevoegd om de minder vergaande maatregel te treffen, bestaande uit het voorlopig niet op een bepaalde wijze openbaar maken van een besluit.”

De voorzieningenrechter zal een dergelijke voorziening in dit geval echter niet treffen om de volgende redenen. Ten eerste is verweerder op grond van artikel 60, derde lid, eerste volzin, van de Gemeentewet gehouden de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar te maken. Ten tweede is het bestreden besluit door verweerder al enige tijd geleden ongeanonimiseerd gepubliceerd op zijn website; de publicatie heeft dus al plaatsgevonden (maar kan wel weer ongedaan gemaakt worden). Ten derde is op korte termijn een beslissing op het bezwaar tegen het bestreden besluit te verwachten. Ten vierde acht de voorzieningenrechter het bestreden besluit niet op voorhand in die mate onrechtmatig, dat alleen al om die reden een voorziening getroffen zou moeten worden. Vast staat immers dat verzoeker in een eerdere Wob-procedure de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen, heeft gebruikt met kennelijk geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren en die bevoegdheid dus heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2311).

Categorieën: Anonimiteit, Bestuursrecht

Tags: , , , , ,