Centrale Raad van Beroep 14 maart 2017 (melding), ECLI:NL:CRVB:2017:1019

Centrale Raad van Beroep 14 maart 2017 (melding), ECLI:NL:CRVB:2017:1019

Appellant heeft aangevoerd dat hem in ieder geval bijstand moet worden toegekend met ingang van 12 juni 2015. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat hij diverse formaliteiten heeft moeten verrichten, zoals het aanmaken van een DigiD, alvorens hij bijstand kon aanvragen. Nadat hij een DigiD had geregeld heeft appellant op 12 juni 2015 via internet geprobeerd bijstand aan te vragen, maar dit is niet gelukt, doordat het digitaal aanvragen om bijstand bij het college via de website van het Uwv nog niet mogelijk was. Hierna heeft appellant op 6 juli 2015 een aanvraagformulier ingevuld en ingediend. Volgens appellant heeft zijn digitale inschrijving bij het Uwv wel geleid tot een melding als bedoeld in artikel 44 van de PW.

Zelfs als moet worden uitgegaan van een melding op 12 juni 2015 als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de PW, zoals appellant heeft betoogd, dan heeft hij niet zo spoedig mogelijk na zijn melding een aanvraag om bijstand ingediend. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aannemelijk maken dat hem niet is te verwijten dat hij de aanvraag niet daags na de gestelde melding, althans veel eerder dan op 6 juli 2015 heeft ingediend. Het college was dus bevoegd om de bijstand toe te kennen met ingang van 6 juli 2015. Wat appellant heeft aangevoerd over zijn problemen met de digitale communicatiekanalen van de gemeente leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kon maken.

Categorie├źn: Risicoverdeling bij technisch falen, Sociaal zekerheidsrecht

Tags: , , , ,