Centrale Raad van Beroep 29 april 2015 (Begeleiding), ECLI:NL:CRVB:2015:1336

Centrale Raad van Beroep 29 april 2015 (Begeleiding), ECLI:NL:CRVB:2015:1336

In artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) is het volgende bepaald:

“1. Begeleiding omvat door een instelling te verlenen activiteiten aan verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van:

  1. de sociale redzaamheid,
  2. het bewegen en verplaatsen,
  3. het psychisch functioneren,
  4. het geheugen en de oriëntatie, of
  5. die matig of zwaar probleemgedrag vertonen.
  6. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van de verzekerde.
  7. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit:
  8. het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen,
  9. het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of
  10. het overnemen van toezicht op de verzekerde.”

De Raad is van oordeel dat de door A aan appellant geboden zorg is aan te merken als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza. Daarvoor is van belang dat uit een door A opgesteld aanvullend zorgplan blijkt dat appellant als gevolg van hersenletsel communicatieve situaties verkeerd inschat, dat het probleemoplossend vermogen van appellant verminderd en ontoereikend is en dat appellant moeite heeft om helder te communiceren, waardoor vaak misverstanden en conflicten ontstaan in de communicatie met instanties en anderen. De door A. geboden activiteiten bestaan uit het aan de hand van binnengekomen post analyseren van problemen, het oefenen met gespreksvoering, rollenspelen en gerichte taakopdrachten met een beroep op het probleemoplossend vermogen, waarbij ook het gebruik van internet en sociale media wordt geoefend. Zoals appellant heeft toegelicht en ook in het aanvullend zorgplan is vermeld, zijn de aan appellant geboden activiteiten er op gericht om de communicatieve vaardigheden en het probleemoplossend vermogen van appellant te ondersteunen en te verbeteren zodat appellant zijn zelfredzaamheid behoudt en de eigen regie kan voeren in het dagelijks bestaan. Hiermee zijn de geboden activiteiten naar het oordeel van de Raad gericht op het concreet ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen en/of het concreet ondersteunen bij of oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, en daarmee aan te merken als begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza.

Categorieën: Sociaal zekerheidsrecht

Tags: , , , , ,