College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 januari 2015 (verspreiding in art. 5:58 Wft), ECLI:NL:CBB:2015:6

College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 januari 2015 (verspreiding in art. 5:58 Wft), ECLI:NL:CBB:2015:6

 

Rechtsvraag: was i.c. sprake was van verspreiding in de zin van artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wft? Eiser stelt niet aansprakelijk te zijn voor verspreiding door anderen, met name zijn toenmalige collega’s, noch voor de wijze waarop de diverse media zijn berichten hebben gepubliceerd.

Dit betoog faalt. Vast staat dat eiser de e-mails in kwestie heeft verstuurd aan diverse collega’s, maar ook aan externe zakelijke contacten (institutionele beleggers). De tekst van artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wft stelt geen beperkingen aan het begrip “verspreiding”. In de wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de veronderstelling dat dit begrip beperkt zou moeten worden opgevat.

Het College onderschrijft in grote lijnen het oordeel van de rechtbank dat de mededelingen in de berichten van eiser grotendeels subjectieve elementen bevatten, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het om zijn mening ging. De omstandigheid dat deze meningen, gelet op de gekozen bewoordingen, soms met een zekere stelligheid, en met gebruik van typisch vakjargon zijn gepresenteerd, leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat onder de e-mailberichten een zogeheten “disclaimer” was geplaatst leidt niet tot een ander oordeel. De functie van een dergelijke “disclaimer” is het afwijzen of beperken van de aansprakelijkheid in een bepaalde situatie of aangelegenheid. Dat daarbij dan tevens de naam van de instelling wordt genoemd is gebruikelijk, en heeft geen zelfstandige betekenis in die zin dat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de e-mailberichten afkomstig waren van (of qua inhoud gedekt werden door) die instelling. Bovendien kan niet in redelijkheid worden staande gehouden dat de beleggers voor wie deze informatie bestemd was, niet in staat zouden zijn om onderscheid te maken tussen feiten en meningen.

Naar het oordeel van het College had AFM in de positie van eiser geen aanleiding hoeven te vinden om vroegtijdige openbaarmaking van het jegens de instelling genomen boetebesluit achterwege te laten. Van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld is geen sprake. Daarbij acht het College ook van belang dat de naam van eiser niet wordt genoemd in de op de website gepubliceerde tekst van de publicatie, en dat ook niet kan worden gezegd dat op basis van die tekst gemakkelijk een associatie met eiser zou kunnen worden gemaakt.

Categorieën: Bestuursrecht, E-mail, Openbaar

Tags: , , , , , , , ,