College van Beroep voor het bedrijfsleven 3 december 2014 (spam naar abonnee?), ECLI:NL:CBB:2014:438

College van Beroep voor het bedrijfsleven 3 december 2014 (spam naar abonnee?), ECLI:NL:CBB:2014:438

De aanbieders van e-maildiensten, zoals Gmail of Hotmail, zijn doorgaans niet degenen die de signalen waaruit die e-maildiensten bestaan via elektronische communicatienetwerken overbrengen, zodat de e-maildiensten die zij leveren niet kunnen worden beschouwd als elektronische communicatiediensten als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder f, van de Tw.

Uit het voorgaande volgt dat er talloze gebruikers van e-mailadressen zijn die tot het gebruik zijn gerechtigd door de abonnee zonder dat zij zelf partij zijn bij de overeenkomst met de aanbieder van de openbare elektronische telecommunicatiedienst. Te denken valt bijvoorbeeld aan huisgenoten van de abonnee of de werknemers van een bedrijf.

Artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2002/58/EG spreekt over “abonnee”. Op zich is juist dat die richtlijn geen definitie van dat begrip bevat, maar daarvoor kan worden teruggevallen op de Kaderrichtlijn, die deel uitmaakt van hetzelfde telecommunicatiepakket en het begrip op dezelfde wijze definieert als de Tw. Het College onderschrijft de uitleg die de rechtbank aan artikel 11.7, eerste lid, (oud) van de Tw geeft en onderkent dat het gevolg daarvan is dat de groep van gebruikers (niet abonnee) aanvankelijk niet door het “spamverbod” werd beschermd. Die bescherming kreeg deze groep pas na de wetswijziging van 5 juni 2012. Dat leverde geen strijd op met het Europese recht, omdat het Europese recht ook pas op een later moment (met Richtlijn 2009/136/EG met een implementatietermijn tot 25 mei 2011) zodanig is gewijzigd dat het beschermingsbereik tegen spam is  ook tot die groep van gebruikers is uitgebreid.

Categorieën: Bestuursrecht, E-mail, Spam

Tags: , , , , , , , ,