CRvB 14 februari 2008 (SDA), LJN BC5618 . (ECLI:NL:CRVB:2008:BC5618)



CRvB 14 februari 2008 (SDA),
ECLI:NL:CRVB:2008:BC5618, LJN
BC5618
ECLI:NL:CRVB:2008:BC5618, LJN BC5618">korte inhoud.

Ontslag wegens het in werktijd bekijken en downloaden van pornografisch materiaal. Appelant, medewerker van de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam. Tegen appelant bestond de verdenking van het van plichtsverzuim op grond van een gesprek tussen zijn teamleider met een collega en kamergenoot. Naast klachten over ongewenste gedragingen van appellant jegens een cliënte van de SDA en jegens een vrouwelijke collega heeft bedoelde collega spontaan aan de teamleider meegedeeld dat appellant op zijn computer ook met porno bezig was.

In het licht van de kort daarvoor bekendgemaakte Spelregels voor het Internetgebruik was er voldoende aanleiding een onderzoek naar het internetgebruik van appellant in te stellen.

Van belang is dat de melding van diens collega zich niet beperkte tot de mededeling “dat hij wel eens een keer een plaatje van een blote dame op de pc van appellant zou hebben gezien”. Tot een volledig onderzoek van de harde schijf is pas overgegaan nadat in een summier onderzoek de aanwezigheid van pornografische bestanden op de computer was geconstateerd waarbij niet is gebleken dat met dit onderzoek onzorgvuldig of anderszins onrechtmatig is gehandeld, In het bijzonder geen inbruik op artikel 7 van de Wet bescherming persoonsgegevens niet duidelijk zou zijn gemaakt voor welk doel de SDA toezicht wil houden op e-mail- en internetgebruik. Uit de Spelregels, die de context vormen waarin dat toezicht wordt aangekondigd, blijkt dat het toezicht ertoe dient de naleving van die op zich niet onaanvaardbaar te achten regels voor internetgebruik te bevorderen.

De Raad is verder van oordeel dat op grond van de uitgebrachte onderzoeksrapporten in voldoende mate vaststaat dat appellant gedurende ongeveer twee en een halve maand direct volgend op de introductie van internet bij de SDA veelvuldig, op verschillende tijdstippen van de dag en gedurende aanzienlijke tijd, internetsites met pornografische afbeeldingen heeft bezocht, en dergelijke afbeeldingen op grote schaal heeft bekeken, zodat ze werden gedownload en op de harde schijf van zijn computer werden opgeslagen. Voorts heeft appellant ook enkele kamergenoten geconfronteerd met dergelijke afbeeldingen, onder meer door toezending via de e-mail.

Appellant heeft zelf erkend dat hij zogeheten datingsites, waarop zich pornografische afbeeldingen bevonden, heeft bezocht. Bovendien heeft hij erkend dat hij kennis heeft genomen van de Spelregels, waarin dergelijk internetgebruik wordt verboden.

De Raad CRB oordeelt dat appellant zich aan het hem verweten plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt en dit plichtsverzuim appellant is toe te rekenen en dat het college zich terecht bevoegd geacht een disciplinaire straf op te leggen.

De Raad is van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is met de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Ook de persoonlijke omstandigheden waarop appellant zich heeft beroepen vormen voor de Raad onvoldoende grond om het strafontslag onevenredig te achten. Het bestreden besluit is in zoverre terecht door de rechtbank in stand gelaten. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


Categorieën: Ambtenarenrecht, Internet op het werk, nocategory

Tags: , ,