Gerechtshof Amsterdam 7 april 2020 (Wengernalpbahn), ECLI:NL:GHAMS:2020:1105

Gerechtshof Amsterdam 7 april 2020 (Wengernalpbahn), ECLI:NL:GHAMS:2020:1105

Letselschade als gevolg van ski-ongeval in Zwitserland. Ambtshalve beoordeling bevoegdheid Nederlandse rechter. Het gaat bij Wengernalpbahn om een ondernemer die zijn activiteiten ontplooit in een wintersportgebied. Dat is bij uitstek een activiteit waarbij overeenkomsten worden gesloten met consumenten uit allerlei landen, waaronder die uit Nederland. Die omstandigheid – die voortvloeit uit de toeristische aard van de activiteiten van de ondernemer – in combinatie met de algemene toegankelijkheid van de internetsite waarmee Wengernalpbahn zich richt op een mondiaal publiek, acht het hof onvoldoende om toepassing te geven aan de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 15 lid 1 sub c EVEX II. Deze bepaling stelt als voorwaarde dat het moet gaan om een bedrijfsmatige activiteit die ‘gericht is op’ een andere verdragsstaat, terwijl in het voorliggende geval, zoals hiervoor ten aanzien van de internetsite en de marketingactiviteiten is overwogen, niet kan worden aangenomen dat Wengernalpbahn zelf actief klanten werft in het buitenland of daarmee contact zoekt. De uitleg waarbij reeds sprake is van het richten van een activiteit op de staat waar de consument woonplaats heeft, wanneer een ondernemer in zijn land van vestiging toeristische activiteiten ontplooit die aantrekkelijk zijn voor en afgenomen worden door inwoners van welke verdragsstaat dan ook, zou de betekenis van het vereiste ‘richt op die staat’ zinledig maken. Die uitleg zou ertoe leiden dat iedere ondernemer in de toeristische sector die in zijn land van vestiging klanten uit verschillende landen ontvangt en daarmee contracteert reeds in andere verdragsstaten gedagvaard kan worden. Die uitleg staat op gespannen voet met het uitgangspunt dat de bijzondere bevoegdheidsregels van het EVEX II zijn gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken en kan ertoe leiden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht dat voor hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Het hof blijft dan ook bij de conclusie dat gezien de lokale aard van de activiteiten die Wengernalpbahn ontplooit, de inhoud en inrichting van haar internetsite en de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, tussen de vordering en de Nederlandse rechter geen voldoende nauwe band aanwezig is en evenmin de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken om te kunnen concluderen dat geïntimeerde de bijzondere bevoegdheidsregel van de consumentenovereenkomst ter beschikking dient te staan.

Categorieën: Bevoegdheid/rechtsmacht (Nederlandse) rechter, Internationaal privaatrecht

Tags: , , , , , , , , ,