Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 augustus 2020 (doorzendverplichting emails), ECLI:NL:GHARL:2020:6422

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 augustus 2020 (doorzendverplichting emails), ECLI:NL:GHARL:2020:6422

De aangehaalde e-mails laten elk afzonderlijk en zeker bezien in hun onderlinge samenhang geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende daarmee aan de heffingsambtenaar liet blijken dat zij het niet eens was met de uitspraak op bezwaar en dat zij niet van plan was in die uitspraak te berusten. Het stelsel van de wet brengt mee dat een belastingplichtige, nadat de heffingsambtenaar uitspraak op een bezwaarschrift tegen een aanslag heeft gedaan, zijn bezwaren verder slechts door middel van beroep kan doen gelden. Nu er geen aanwijzingen waren dat de heffingsambtenaar bereid was van zijn uitspraak op bezwaar terug te komen, had hij daarom de e-mails op grond van artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zo spoedig mogelijk moeten doorzenden aan de Rechtbank, waarna de Rechtbank deze als beroepschrift in behandeling had dienen te nemen (vergelijk HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ5114 en HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:267).

Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld is daarbij niet van belang of de uitspraak op bezwaar een correcte rechtsmiddelverwijzing bevat. Deze omstandigheid kan een rol spelen bij de vraag of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb, doch speelt, behoudens in gevallen van misbruik van recht, geen rol bij de vraag of een doorzendverplichting bestaat. Dat sprake is van misbruik van recht is gesteld noch aannemelijk geworden.

Ook de omstandigheid dat belanghebbende via e-mail met de heffingsambtenaar heeft gecommuniceerd, terwijl via dit communicatiemiddel geen beroep kan worden ingesteld bij de Rechtbank, doet aan de doorzendverplichting niet af. Indien een e-mail een bezwaar- of beroepschrift bevat, kan dit bezwaar of beroep eerst niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege de omstandigheid dat de elektronische weg niet is opengesteld, nadat op grond van artikel 6:6, aanhef en onder b, van de Awb een herstelmogelijkheid aan de indiener is geboden. Dit brengt mee dat voor een naar een onbevoegd bestuursorgaan per e-mail verzonden bezwaar- of beroepschrift, ook in het geval waarin de elektronische weg niet openstaat, een doorzendplicht op grond van artikel 6:15 van de Awb geldt, aangezien die e-mail, indien het onbevoegde bestuursorgaan wel de bevoegde instantie zou zijn geweest, voor hem de verplichting met zich zou hebben gebracht bovenstaande herstelmogelijkheid te bieden aan de indiener (vergelijk ABRS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5940).

Categorie├źn: Belastingrecht, Bestuursrecht, E-government, E-mail

Tags: , , , , , , , , , , , , ,