Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 oktober 2017 (email in internationale handel), ECLI:NL:GHARL:2017:8585

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 oktober 2017 (email in internationale handel), ECLI:NL:GHARL:2017:8585

Geschil tussen eiser Mees van den Brink en gedaagde SAS uit China.

De communicatie over de wijze van betaling van de koopprijs heeft uitsluitend plaatsgevonden door e-mailverkeer. De vraag of een (e-mail-)verklaring is afgelegd door en/of een gedraging afkomstig is van de contractuele wederpartij dient naar het oordeel van het hof beoordeeld te worden analoog aan de in artikel 8 van het Weens Koopverdrag neergelegde uitgangspunten.

Het wereldwijde karakter van het internationale handelsverkeer is voor de totstandkoming van internationale contracten ten zeerste gebaat bij communicatie via uitwisseling van e-mailverkeer. Tegen die achtergrond ligt voor de hand en mag worden verwacht dat de verzenders en de ontvangers van daarop gericht e-mailverkeer zoveel als redelijkerwijs mogelijk zorgdragen voor de waarborging van de authenticiteit van hun berichten, de controle daarop en ook voor een voldoende mate van beveiliging, hetgeen afhangt van de omstandigheden van het geval, zoals de stand van de techniek, de aard en (financiële) omvang van de overeenkomst, de hoedanigheid van partijen, waarbij tevens van belang is of aan extra beveiliging disproportioneel veel kosten zijn verbonden.

Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat in dit hoger beroep tussen deze partijen op dit punt het volgende vast. Een fraudeur is er kennelijk in geslaagd in te breken in het netwerk en internet bij SAS, de e-mail van SAS te hacken, daardoor de beschikking te verkrijgen over de namen van de medewerkers van SAS en aldus via een aangemaakt schaduw e-mailadres de correspondentie met Mees van den Brink over te nemen. SAS heeft kennelijk (de stellingen van Mees van den Brink hierover zijn niet weersproken) onvoldoende gedaan om een veilige internetomgeving/e-mail omgeving te creëren.

Van Mees van den Brink mocht daarentegen een voldoende opmerkingsgave worden verwacht en daaraan heeft het ontbroken. Zo heeft Mees van den Brink niet opgemerkt dat de na de contractsluiting tot stand gekomen e-mailcommunicatie is begonnen met een nieuwe e-mail vanaf een niet eerder gebruikt e-mailadres: dat afweek van het eerder gebruikte emailadres. Dit leverde een nieuw e-mailverkeer op, dat niet in antwoord voortbouwde op de eerdere e-mailwisseling. Ook het oude bestelonderwerp “Purchase order 62262” was nu opeens genaamd “Re:RE:Delivery all”. De nieuwe e-mailwisseling strekte verder met een wel heel apart en niet zonder meer geloofwaardig verhaal (waarom zou de aangevoerde financiële en fiscale controle dwingen tot een bancaire omleiding?) uitsluitend ter verkrijging van betaling en wel op een niet eerder gebruikte bankrekening bij Citibank, nu niet meer zoals voorheen in Shanghai maar in New York en evenmin meer op naam van SAS maar op naam van een particulier. Daarbij moet nog worden bedacht dat de e-mail opmerkte dat betaling niet meer kon plaatsvinden op “our Normal Ningbo commerce Bank”, terwijl Mees van den Brink nooit had betaald op een rekening bij die bank. Naar het oordeel van het hof heeft Mees van den Brink, juist waar het gaat om de afwijkende betalingsinstructie in combinatie met de andere genoemde bijzonderheden, zo weinig opmerkzaamheid aan de dag gelegd dat zij de herkomst van de e-mails niet heeft uitgelegd overeenkomstig de zin die een redelijk persoon van gelijke hoedanigheid als een andere partij in dezelfde omstandigheden hieraan zou hebben toegekend (zie artikel 8 lid 2 van het Weens Koopverdrag). Anders, naar de tekst van artikel 6:34 lid 1 BW, gezegd: Mees van den Brink heeft niet op redelijke gronden mogen aangenomen dat de ontvanger der betaling als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd was, zodat zij niet aan SAS kan tegenwerpen dat zij (volledig) bevrijdend heeft betaald.

Omdat aan Mees van den Brink bij het van haar te vergen onderzoek redelijkerwijs niet mocht ontgaan dat zich in haar e-mailverkeer met SAS een internetfraudeur had gemengd, had zij niet mogen vertrouwen op de aan haar verstrekte afwijkende betalingsinstructie en had zij op het eerder gebruikte e-mailadres hierover bij SAS navraag moeten doen dan wel telefonisch contact kunnen zoeken. Dan zou SAS haar, naar aannemelijk is, hebben bevestigd dat de nadere betalingsinstructie afkomstig was van een e-mailfraudeur. Daarom heeft Mees van den Brink niet bevrijdend betaald. De door haar aan SAS gemaakte beveiligingsverwijten zijn onvoldoende voor een ander oordeel en Mees van den Brink heeft niets aangevoerd om deze verwijten in een andere samenhang te wegen (denkbaar op basis van artikel 6:101 BW tegen een schadeclaim dan wel op gronden van redelijkheid en billijkheid).

Categorieën: E-mail, Identiteitsfraude, Internationaal privaatrecht, Verbintenissenrecht

Tags: , , , , , , ,