Gerechtshof Den Haag 22 september 2020 (bitcoins zijn voorwerpen), ECLI:NL:GHDHA:2020:1804

Gerechtshof Den Haag 22 september 2020 (bitcoins zijn voorwerpen), ECLI:NL:GHDHA:2020:1804

Bitcoins zijn voor menselijke beheersing vatbare objecten met een reële waarde in het economische verkeer die voor overdracht vatbaar zijn. Er kan met bitcoins worden betaald. De feitelijke en exclusieve heerschappij ligt bij degene die toegang heeft tot een wallet en wordt verloren bij een succesvolle transactie naar een andere wallet. Bitcoins zijn bovendien individueel bepaalbaar: van iedere bitcoin wordt het ontstaan en iedere transactie die ermee wordt uitgevoerd, in de blockchain bijgehouden.

Het hof is derhalve van oordeel dat bitcoins, vanwege vorenomschreven eigenschappen, strafrechtelijk gezien als voorwerp in de zin van art. 420bis en 420ter Sr. gekwalificeerd kunnen worden.

De verdachte heeft in de telastegelegde periode gehandeld in bitcoins. De verdachte bood (via internet) bezitters van bitcoins aan om hun bitcoins om te zetten in contant geld. Zij maakten bitcoins over naar een van de wallets van de verdachte en kregen vervolgens de tegenwaarde van deze bitcoins minus een commissiepercentage direct in contanten uitbetaald. De verdachte heeft de identiteit van zijn klanten niet vastgesteld en hield ook overigens geen administratie van zijn klanten bij. De verdachte hield slechts bij op welke datum hij een transactie heeft uitgevoerd, om welk bedrag het ging en de netto winst van die transactie in procenten uitgedrukt. Uit het procesdossier blijkt dat het in enkele gevallen ging om transacties tot bedragen van € 50.000 in contanten. Deze transacties werden op openbare plaatsen uitgevoerd. De verdachte verkocht de verkregen bitcoins vervolgens aan cryptocurrency exchanges als Kraken of Bitstamp. Deze bedrijven betaalden de verkoopprijs van de bitcoins uit op de door de verdachte gebruikte bankrekeningen op zijn eigen naam en op die van anderen waarmee verdachte veelal afspraken had gemaakt. In totaal is in de tenlastegelegde periode een bedrag van € 11.690.267,85, afkomstig van dergelijke cashtrades, naar deze verschillende bankrekeningen overgemaakt. De verdachte nam het grootste deel van dit geld contant op. Uit het procesdossier volgt dat de verdachte een commissiepercentage hanteerde variërend van 5 tot 8%. Naar eigen zeggen ontving de verdachte gemiddeld ongeveer 4% van het bedrag van de transactie. Reguliere cryptocurrency exchanges hanteren een commissie van maximaal 1%.

Het hof stelt op basis van deze feiten en omstandigheden vast dat de gedragingen van de verdachte voldoen aan meerdere onderdelen van de in 2017 door de FIU opgemaakte Witwastypologieën Op grond daarvan acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat de bitcoins en geldbedragen in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Volgt veroordeling voor, onder meer, gewoontewitwassen.

Categorieën: Bitcoins, Goedsdiscussie in het strafrecht, Witwassen

Tags: , , , , , , , , , , ,