Gerechtshof Den Haag 23 januari 2018 (Ryanair – PR Aviation ), ECLI:NL:GHDHA:2018:61

Gerechtshof Den Haag 23 januari 2018 (Ryanair – PR Aviation ), ECLI:NL:GHDHA:2018:61

Rechtsvraag: zijn tussen Ryanair en PR Aviation, in de periode van 2004 tot en met 11 augustus 2010, de gebruiksvoorwaarden overeengekomen door browse-wrapping?

Volgens Ryanair gaat een bezoeker van haar website die verder gaat dan de beginpagina,

naar Iers recht een browse-wrapping overeenkomst aan met Ryanair in de vorm van de

gebruiksvoorwaarden; ook PR Aviation is dus gebonden aan die gebruiksvoorwaarden, en – zo begrijpt het hof – dus ook aan de daarin opgenomen rechtskeuze. Volgens PR Aviation is onder Iers recht daarentegen om verschillende redenen geen overeenkomst tot stand gekomen, en dus – zo begrijpt het hof – ook niet wat betreft de daarin opgenomen rechtskeuze.

Het hof stelt vast dat onder Iers contractenrecht voor de totstandkoming van een overeenkomst vier constitutieve elementen zijn vereist, te weten: offer (aanbod), acceptance (aanvaarding), consideration en intention to create legal obligations.

In de onderhavige zaak is de vraag dus of, objectief gezien, een redelijk persoon denkt dat PR

Aviation de (rechtskeuze in de) gebruiksvoorwaarden wilde aanvaarden door gebruik te maken van de website van Ryanair (vgl. naar Nederlands recht art. 3:35 BW).

Naar het oordeel van het hof is moet die vraag ontkennend worden beantwoord. PR Aviation

bezocht de website, langs geautomatiseerde weg, om gegevens te verzamelen die voor een ieder gratis en vrij toegankelijk waren en juridisch door geen enkel recht werden beschermd – noch door een databankrecht noch door een auteursrecht noch anderszins. Waar deze juridisch

onbeschermbare gegevens voor een ieder gratis en vrij toegankelijk zijn openbaar gemaakt op

een openbare website, zal een redelijk persoon niet denken dat PR Aviation, louter door de

website te bezoeken en/of deze gegevens te verzamelen, zich wilde binden aan de

gebruiksvoorwaarden die haar verbieden om die gegevens te verzamelen en te gebruiken, noch aan de daarin opgenomen rechtskeuze. Ter vergelijking: wie op straat aan een muur, of in een etalage zichtbaar vanaf de openbare weg, een aanplakbiljet heeft opgehangen met een tekst waarvan de eerste regel luidt: “Wie verder leest, moet € 5,- betalen”, mag er niet zo maar op vertrouwen dat een voorbijganger die de tekst verder leest, zich heeft willen binden aan deze voorwaarde.

Concluderend moet worden vastgesteld dat geen sprake is van aanvaarding door PR Aviation,

en dat naar Iers recht dus geen sprake is van een (rechtskeuze-) overeenkomst tussen partijen.

Dat betekent dat het beroep van PR Aviation op art. 8 lid 2 EVO (art. 10 lid 2 Rome I -Verordening) niet beoordeeld hoeft te worden.

Nu er geen sprake is van een geldige rechtskeuze in de relevante periode, moet in verband

met art. 8 EVO en art. 10 Rome I-Verordening worden vastgesteld welk recht ingevolge het EVO respectievelijk de Rome I-Verordening objectief toepasselijk zou zijn, indien de overeenkomst (de gebruiksvoorwaarden zonder de rechtskeuzes) geldig zou zijn.

Dat is, zowel onder het EVO als onder de Rome I-Verordening, Iers recht.

Categorieën: E-commerce, Internationaal privaatrecht

Tags: , , , , , ,