Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 april 2014 (Teleroute-fraude), ECLI:NL:GHSHE:2014:1068



Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 april 2014 (Teleroute-fraude), ECLI:NL:GHSHE:2014:1068

Appellante heeft er zelf voor gekozen om, nu zij een transportopdracht had aangenomen die zij kennelijk zelf niet kon of wilde uitvoeren, via Teleroute een (onder)vervoerder te zoeken. Gesteld noch gebleken is dat zij van haar opdrachtgever de instructie had gekregen om Teleroute te gebruiken.


De risico’s van het gebruik van een dergelijk digitaal vrachtuitwisselingssysteem zijn voor rekening van degene die zich daarvan heeft bediend. Dit geldt temeer nu appellante zonder enige controle op of verificatie van de aan haar verstrekte gegevens van degene met wie zij via Teleroute contact kreeg – de daders – , aan dezen zodanige gegevens heeft verstrekt dat zij hen in de gelegenheid stelde de lading te verduisteren. Appellante is daarom jegens haar opdrachtgever en de geadresseerde aansprakelijk. Immers uit de feiten blijkt dat appellante Transportbedrijf X niet alleen niet kende, maar zelfs geen enkele navraag naar of bij dit bedrijf heeft gedaan, toen met haar telefonisch contact was opgenomen door de daders (die zich voordeden als Transportbedrijf X).


Dit klemt temeer nu het contact dat appellante met de daders heeft gehad, bestaat uit slechts één telefoontje en één schriftelijk bericht. Appellante ontving dit schriftelijke bericht -het hof constateert dat in de processtukken zowel over fax als over e-mail wordt gesproken – van een haar volkomen onbekende partij. Indien dit inderdaad het stuk is dat als productie is overgelegd, dan zouden bij nauwkeurige lezing daarvan enige vraagtekens bij appellante hebben moeten rijzen (waarbij het hof onder meer doelt op de vreemd aandoende domeinnaam van het vermelde e-mailadres en de door geïntimeerden c.s. genoemde gelijkenis tussen het btw-nummer en het telefoonnummer).


Met het achterwege laten van iedere controle of verifiëring daarvan door [Transport 1.] voordat zij aan deze onbekende gegevens over de op te halen lading verschafte, heeft [Transport 1.] naar het oordeel van het hof niet voldaan aan het vereiste dat zij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder te vergen maatregelen heeft genomen, en kan zij geen beroep doen op art. 17 lid 1 CMR.


Dit alles betekent dat de opzet van de daders op de voet van art. 3 jo art. 29 CMR wordt toegerekend aan [Transport 1.] als ware het haar eigen opzet. [Transport 1.] is jegens haar opdrachtgever en jegens de geadresseerde onbeperkt aansprakelijk voor de door de handelingen van de daders ontstane schade.


Categorieën: nocategory, Verbintenissenrecht

Tags: , , , ,