Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 december 2014 (Dahabshiil), ECLI:NL:GHSHE:2014:5351

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 december 2014 (Dahabshiil), ECLI:NL:GHSHE:2014:5351

In eerder tussenarrest (d.d. 20 mei 2014, IEPT20140520) is bepaald dat deze zaak naar Engels recht beslist moet worden, omdat het centrum van de belangen van Dahabshiil in Engeland ligt.

Bij de beantwoording van de vraag of de man onrechtmatig heeft gehandeld/handelt stelt het hof voorop dat het Engelse recht op het terrein van defamation (hierna: laster) is gebaseerd op jurisprudentie en wetgeving (onder meer de Defamation Act 1996) en het via de Human Rights Act 1998 rechtstreeks toepasselijke Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Met name vanwege de toepasselijkheid van het EVRM dient in casu een afweging te worden gemaakt tussen het belang van de man bij zijn vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) en het belang van Dahabshiil bij bescherming van haar reputatie (artikel 8 EVRM).

De beweringen komen erop neer dat Dahabshiil conflicten in Somalië doet opvlammen, de media in Somalië onderdrukt onder meer door journalisten te ‘arresteren’, en symbool is voor de overheersing en onderdrukking van de Somalische media. Naar het oordeel van het hof wordt de reputatie van Dahabshiil door deze beweringen geschaad.

Gezien de ernst van voormelde beschuldigingen is sprake van laster en voorts aannemelijk dat Dahabshiil vanwege de publicaties (iedere publicatie en beschuldiging op zichzelf beschouwd) ernstige financiële schade heeft geleden of zou kunnen leiden.

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende aannemelijk geworden dat voldoende aanknopingspunten bestonden of bestaan voor de juistheid van de gewraakte beweringen. Publicatie dient geen publiek belang.

Categorieën: Onrechtmatige uitingen (privaatrechtelijk), Vrijheid van meningsuiting

Tags: , , , , ,