Hof Amsterdam 2 april 2013 (PAL), LJN BZ7310 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ7310)



Hof Amsterdam 2 april 2013 (PAL), ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ7310, LJN BZ7310

Het hof gaat ervan uit dat voorzienbaar was dat een relatief groot publiek, groter dan de groep van aandelenlease gedupeerden, de tekst van de postings ooit via internet te zien zou krijgen, en dat – hoewel de zin "Is appellant een oplichter?" in de vragende vorm is gesteld – PAL er rekening mee moest houden dat lezers van de postings appellant feitelijk als een oplichter en dus als onbetrouwbaar zouden aanmerken, en dat PAL er in 2006 niet zeker van kon zijn dat appellant zijn klanten daadwerkelijk had opgelicht en dat zij er rekening mee moest houden dat appellant als gevolg van het plaatsen van de postings schade zou kunnen ondervinden. Beoordeeld moet dus worden of het plaatsen van de postings, ondanks deze voorzienbare, mogelijk voor appellant schadelijke gevolgen, gerechtvaardigd was.


PAL kon, gezien haar doelstelling, voldoende reden zien om actie te ondernemen door de onderhavige berichten op internet te plaatsen, om daarmee de gedupeerden te ondersteunen en te verhinderen dat de (mogelijke) misstand zou voortduren. Dat de postings niet tot een publiek debat hebben geleid en na de eerste postings ook geen additionele klachten meer bij PAL zijn binnengekomen, doet aan het voorgaande niet af. Het betoog van appellant dat het niet (deugdelijk) nakomen van contractuele verplichtingen sec geen maatschappelijk ernstige misstand oplevert, miskent ten slotte dat het hier ging om meerdere klachten over benadeling door een professionele juridische dienstverlener die met de noorderzon zou zijn vertrokken, en daarmee om meer dan een enkelvoudig verwijt van wanprestatie.


Categorie├źn: nocategory, Onrechtmatige uitingen (privaatrechtelijk), Vrijheid van meningsuiting

Tags: , , , ,