Hof ‘s-Gravenhage 18 november 2005 (Samir A.), LJN AU6181. (ECLI:NL:GHSGR:2005:AU6181)




Hof ‘s-Gravenhage 18 november 2005 (Samir A.), LJN AU6181. (ECLI:NL:GHSGR:2005:AU6181)

Samir A. Het hof dient thans te komen tot een kwalitatieve beoordeling van de hiervoor beschreven materialen, met het oog op de vraag of de gezamenlijkheid van die voorwerpen in samenhang met overige belastende informatie omtrent de verdachte tot het wettig en overtuigend bewijs leidt dat de verdachte zich aan strafbare voorbereiding van een aanslag heeft schuldig gemaakt. Alvorens die vraag te beantwoorden, acht het hof het aangewezen enkele kanttekeningen te maken en zijn visie op de strafbare voorbereiding te geven, voorzover voor de beoordeling van deze zaak van belang. Bij de beantwoording van de vraag of van strafbare voorbereiding sprake is geweest, gaat het dus om de vraag wat de kennelijke bedoeling van de verdachte was, in samenhang met de aard van die voorwerpen. Het gaat bij dat laatste niet alleen om de vraag of een middel in abstracto enige bijdrage kán leveren tot het begaan van het misdrijf dat de verdachte op het oog heeft, maar ook om het reële belang dat het betreffende materiaal voor het plegen van het uiteindelijke misdrijf zal kunnen hebben en – daarmee – de concrete en/of acute gevaarzetting die van het vervaardigen of voorhanden hebben van dat materiaal uitgaat. Het hof beoordeelt tegen deze achtergrond het handelen van de verdachte, zoals hem onder 2 is tenlastegelegd, als volgt. Het hof heeft er op grond van het hierboven omtrent de intentie van de verdachte overwogene geen twijfel over dat de verdachte niet alleen sympathie koestert voor terroristische acties zoals (bom)aanslagen, maar dat hij door zijn bijdrage aan de werving van ‘strijders’ die sympathie ook handen en voeten geeft. Het oordeel over die gerichtheid op terrorisme wordt alleen maar verder versterkt doordat – naar het hof als vaststaand aanneemt – het de verdachte is geweest die heeft geprobeerd om een geïmproviseerd explosief mechanisme te vervaardigen. In zoverre bestaat bij het hof geen twijfel over de volle omvang van de terroristische intenties van de verdachte. De strafrechtelijke beoordeling van die intenties dient echter plaats te vinden mede tegen de achtergrond van de materialen die de verdachte daartoe voorhanden had. Het hof heeft die voorwerpen, stoffen en informatiedragers (voor zover relevant geacht) hierboven beschreven en zal die thans beoordelen. Het hof leidt uit de inbeslaggenomen plattegronden, foto’s, schetsen en aantekeningen af dat de verdachte het gebouw van de AIVD en de kazerne van het Korps Commando Troepen heeft ‘afgelegd’ en daarvan aantekeningen (over de bij een actie benodigde materialen) heeft gemaakt; tevens heeft hij (op internet) de situatie bij de kerncentrale Borssele ‘bekeken’, alsmede die bij de gebouwen van de Tweede Kamer en het Binnenhof en bij Schiphol. Een en ander draagt naar ‘s hofs oordeel een nog zo primitief en oppervlakkig karakter, dat het hof het onmogelijk acht dat op basis van deze vergaand onvolkomen informatie een aanval op deze objecten met enige kans op succes zelfs maar in voorbereiding kan worden genomen. De bevindingen ten aanzien van het eivormige gele flesje met kunstmestkorrels, lampje en bedrading, aangeduid als geïmproviseerde explosieve constructie, laten geen andere conclusie toe dan dat de constructie die de verdachte beoogde te vervaardigen (nog afgezien van het gebroken gloeidraadje) in tweeërlei fundamenteel opzicht niet zou kunnen werken: een verkeerde lading en een verkeerde ontsteker voor een dergelijke lading. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte blijkens het totaalbeeld van het inbeslaggenomen eivormige flesje nog op een kennelijk zeer onbeholpen wijze op zoek was naar wegen om een functionerende geïmproviseerde explosieve constructie te kunnen vervaardigen, bij welke zoektocht mogelijk de lijsten met adressen van winkels van de Boerenbond/Welkoop een rol hebben gespeeld. Dat ook ‘restanten (van een) reiswekker’ werden aangetroffen, die onder nadere voorwaarden mogelijkerwijs als tijdmechanisme zouden kunnen functioneren, doet aan de overallbeoordeling als ‘onbeholpen’ geenszins af. Een en ander leidt tot de conclusie dat het hof niet twijfelt aan de terroristische intentie van de verdachte, maar dat hetgeen hij overeenkomstig de tenlastelegging in die sleutel heeft ondernomen om tot het (taalkundig gesproken) kennelijk voorbereiden van een actie met een geïmproviseerde explosieve constructie te komen, zich in een zodanig pril stadium bevond en zo onbeholpen en primitief was, dat daarvan géén reële dreiging (binnen afzienbare termijn) kón uitgaan. De verdachte stond in feite nagenoeg met lege handen. Onder die omstandigheden kan naar ‘s hofs oordeel niet gesproken worden van het vervaardigen of aanwezig hebben van voorwerpen, stoffen en gegevensdragers die kennelijk zijn bestemd tot voorbereiding van een aanslag zoals onder 2 tenlastegelegd, omdat die voorwerpen, stoffen en gegevensdragers die bestemming in objectieve zin redelijkerwijs niet kunnen hebben; zou men ondanks het ontbreken van die objectieve bestemming en de daarmee samenhangende gevaarzetting een verdachte tóch veroordelen, dan zou men hem ten gronde straffen voor zijn gedachten en intenties, hetgeen de wetgever juist uitdrukkelijk heeft willen uitsluiten. De verdachte dient derhalve van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.


Categorie├źn: nocategory