Hoge Raad 24 februari 2017 (RTBF: geen belangenafweging), ECLI:NL:HR:2017:316

Hoge Raad 24 februari 2017 (RTBF: geen belangenafweging), ECLI:NL:HR:2017:316

Uit de aangehaalde overwegingen van het HvJEU uit het Google/Costeja-arrest volgt immers dat het privacybelang van een natuurlijke persoon in de regel prevaleert boven het belang bij informatie van de internetgebruikers en boven het economisch belang van de exploitant, en dat dit anders kan zijn in bijzondere gevallen, wanneer sprake is van bijzondere redenen die de inmenging in het recht op privacy rechtvaardigen.

In rov. 3.6 verwijst het hof naar de ernst van het delict waarvoor eiser is veroordeeld en het grote belang van het publiek om daarover te worden geïnformeerd (welke overweging het hof herhaalt in rov. 3.10 en 3.14). Voorts neemt het hof in aanmerking dat eiser de publiciteit aan zijn eigen gedrag te wijten heeft. Deze overwegingen kunnen op zichzelf het oordeel dragen dat de publiciteit omtrent de veroordeling van eiser rechtmatig is. Voor afwijzing van de vordering van eiser in dit geding is dat laatste evenwel ontoereikend. In het arrest Google/Costeja is immers (in punt 88, hiervoor in 3.5.4 aangehaald) overwogen dat, voor zover aan de toepassingsvoorwaarden van de art. 12, onder b, en 14, eerste alinea onder a, van de Richtlijn persoonsgegevens is voldaan, de exploitant van een zoekmachine verplicht is om van de resultatenlijst die na een zoekopdracht op de naam van een persoon wordt weergegeven, de koppelingen te verwijderen naar door derden gepubliceerde webpagina’s waarop informatie over deze persoon is te vinden “in voorkomend geval zelfs wanneer de publicatie ervan op deze webpagina’s op zich rechtmatig is”.

Omtrent het belang van het publiek om informatie over de veroordeling van eiser te krijgen bij het zoeken op eisers volledige naam, stelt het hof niets vast. Evenmin doet het hof enige vaststelling omtrent hetgeen in dit verband van belang kan zijn, zoals met name of eiser een rol in het openbare leven speelt en, zo ja, welke. Het enkele feit dat eiser in eerste aanleg is veroordeeld wegens een ernstig misdrijf en dat sprake is geweest van publiciteit is daartoe onvoldoende.

Evenmin heeft het hof (de aard en omvang van) het belang van eiser nader vastgesteld, waaronder dat diens veroordeling niet onherroepelijk is, laat staan dat het heeft onderzocht waar in dit geval het evenwicht moet worden gezocht tussen het belang van eiser en dat van het publiek.

Eiser heeft reeds een voldoende belang om zich op de voet van de art. 36 lid 1 en 40 lid 1 Wbp tegen vermelding van de hiervoor genoemde berichten bij het zoekresultaat te verzetten als een aanzienlijk deel van het publiek zal veronderstellen dat hij de persoon is die daarin wordt bedoeld, ook al heeft het daarover geen zekerheid.

Categorieën: Gegevensbeschermingsrecht, Right to be forgotten, WBP, Zoekmachineresultaat

Tags: , , , , , , , , ,