HR 10 maart 2009 (Stop het gezwel dat Islam heet), LJN BF0655 (ECLI:NL:HR:2009:BF0655)




HR 10 maart 2009 (Stop het gezwel dat Islam heet), LJN BF0655 (ECLI:NL:HR:2009:BF0655)

(Beperkte) Reikwijdte belediging, art. 137c Sr. Vooropgesteld wordt dat het i.c. gaat om belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst en niet om het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (art. 137d Sr) of om godslastering (art.147 Sr). Al deze misdrijven zijn strafbaar gesteld als misdrijf tegen de openbare orde. Voorts gaat het in cassatie in de 1e plaats om de specifieke betekenis van de in art. 137c Sr opgenomen uitdrukking ‘belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst of levensovertuiging’. Indien uitlatingen niet als zodanig kunnen worden aangemerkt en dus in dit opzicht buiten het bereik van art. 137c Sr vallen, komt de vraag of daarbij de grenzen van vrijheid van meningsuiting zijn overschreden niet in beeld en behoeft dus ook de vraag of bij de wet voorziene beperking die art. 137c Sr aan het recht op vrije meningsuiting stelt in concreto gerechtvaardigd is, geen beantwoording. Art. 137c Sr stelt strafbaar het zich beledigend uitlaten "over een groep mensen wegens hun godsdienst", doch niet het zich beledigend uitlaten over een godsdienst, ook niet als dit geschiedt op zo’n wijze dat de aanhangers daardoor in hun godsdienstige gevoelens worden gekrenkt. Strafbaar is enkel het nodeloos krenkend uitlaten over een groep mensen omdat deze een bepaalde godsdienst aanhangt. Het beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun godsdienst valt immers alleen onder art. 137c Sr als men de mensen, behorend tot die groep, collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, nl. hun godsdienst, en men hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn. Alle, zelfs felle kritiek op opvattingen die in die groep leven of op het gedrag van hen, die tot de groep behoren, blijft buiten het bereik van art. 137c Sr. Gelet op die door de wetgever beoogde, beperkte reikwijdte van art. 137c Sr, vereist deze bepaling dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen. De enkele omstandigheid dat grievende uitlatingen over een godsdienst ook de aanhanger daarvan krenken is niet voldoende om die uitlatingen te kunnen gelijkstellen met uitlatingen over die aanhangers, dus over een groep mensen vanwege hun godsdienst i.d.z.v, art. 137c Sr. I.c. heeft het Hof daaromtrent blijk gegeven van een te ruime – en dus onjuiste – opvatting door te oordelen dat verdachte met de poster met de tekst "Stop het gezwel dat Islam heet" zich onnodig grievend heeft uitgelaten over de Islam en dat "gezien de verbondenheid tussen de Islam en haar gelovigen" deze uitlating reeds daardoor ook beledigend is voor "die groep mensen die de Islam belijden". HR spreekt om doelmatigheidsredenen vrij.


Categorie├źn: nocategory, Vrijheid van meningsuiting