Rechtbank Amsterdam 13 oktober 2020 (FB Covid 19-beleid), ECLI:NL:RBAMS:2020:4966

Rechtbank Amsterdam 13 oktober 2020 (FB Covid 19-beleid), ECLI:NL:RBAMS:2020:4966

De vraag die voorligt, is of het recht op vrijheid van meningsuiting betekent dat een ieder, via elk medium of platform, zijn mening onbeperkt moet kunnen uiten. Meer specifiek: staat het recht op vrijheid van meningsuiting in de weg aan toepassing door Facebook van haar COVID-19 beleid?

Het recht op vrijheid van meningsuiting verplicht private partijen niet rechtstreeks om te garanderen dat dit recht kan worden uitgeoefend. Het recht op vrijheid van meningsuiting gaat blijkens   rechtspraak van het EHRM in ieder geval niet zo ver dat een private partij kan worden verplicht een andere private partij toe te staan zijn mening te ventileren met gebruikmaking van eigendommen van de eerste partij (EHRM 6 mei 2003, nr. 44306/98 (Appleby and Others /Verenigd Koninkrijk).

De Richtlijnen voor de community van Facebook zijn een uitwerking van het fundamentele recht op eigendom van Facebook; zij mag immers zelf de regels stellen die op haar platform van toepassing zijn. Haar eigendomsrechten kunnen dus gelden als legitieme beperking op de vrijheid van meningsuiting van anderen, op de voet van artikel 10 lid 2 EVRM. Met haar COVID-19 beleid geeft Facebook bovendien gehoor aan de oproep van centrale overheden om haar bij te staan in de strijd tegen de verspreiding van onjuiste informatie over COVID-19. Die oproep is gedaan in het belang van de bescherming van de volksgezondheid, hetgeen eveneens als legitieme beperking kan gelden.

Categorieën: Positie tussenpersonen, Sociale netwerksites, Vrijheid van meningsuiting

Tags: , , , , ,