Rechtbank Amsterdam 2 juli 2013 (poging tot grooming niet strafbaar), ECLI:NL:RBAMS:2013:4000



Rechtbank Amsterdam 2 juli 2013 (poging tot grooming niet strafbaar), ECLI:NL:RBAMS:2013:4000

De rechtbank acht het bewezene – de poging tot grooming – hoe laakbaar en kwalijk het ook mag zijn, niet strafbaar. Verdachte dient ter zake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Grooming (artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht) is een (specifieke) voorbereidingshandeling. Uit de wetgeschiedenis met betrekking tot de algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen (Handelingen II 1990/91, 22 268 nr. 3, blz. 13) blijkt dat poging tot voorbereiding en voorbereiding tot voorbereiding van een misdrijf geen strafbaarheid kunnen vestigen. De rechtbank is gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht (Handelingen II 2008/9, 31 810 nr. 3, blz. 6-7) van oordeel dat hetzelfde geldt voor poging tot grooming. Uit die wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever grooming strafbaar heeft willen stellen vanaf het moment dat het zich concretiseert tot een voorstel voor een ontmoeting met het kind gevolgd door “material acts leading to a meeting”. Een verdere verschuiving van de strafbaarheid naar de voorfase zou betekenen dat het loutere internetcontact, hoe laakbaar ook, strafbaar zou zijn en dat zou te ver voeren.


Categorieën: Grooming, nocategory

Tags: , , ,