Rechtbank Amsterdam 9 maart 2020 (bemiddelingskosten Airbnb), ECLI:NL:RBAMS:2020:1477

Rechtbank Amsterdam 9 maart 2020 (bemiddelingskosten Airbnb), ECLI:NL:RBAMS:2020:1477

Airbnb stelt dat art. 7:417 lid 4 BW en art. 7:425 BW niet van toepassing zijn op online platforms zoals Airbnb en op activiteiten die te maken hebben met de verhuur van vakantieverblijven. Gelet op de bedoelingen van de wetgever is artikel 7:417 lid 4 BW slechts van toepassing op de (koop en) huur van vaste woonruimte, bestemd voor permanente bewoning, aldus Airbnb.

Airbnb wordt daarin niet gevolgd. Op de huurovereenkomsten voor woonruimten bestemd om daarin hoofdverblijf te hebben is artikel 7:264 BW van toepassing. Dat artikel beschermt de huurders van dergelijke woonruimten reeds tegen ‘dubbele bemiddelingskosten’, ook indien deze door een derde zijn bedongen. Het ligt niet voor de hand dat de wetgever in artikel 7:417 lid 4 BW uitdrukkelijk heeft opgenomen dat deze bepaling ziet op de “huur en verhuur van een onroerende zaak of een gedeelte daarvan”, en dus betrekking heeft op elke onroerende zaak, als zij slechts permanente woonruimte op het oog zou hebben waarvan de huurders (ook van onzelfstandige woonruimte) reeds zouden worden beschermd door artikel 7:264 BW. De formulering in de wet is ruim en een bepaling die is bedoeld om aan consumenten bescherming te bieden behoort niet beperkt te worden uitgelegd.

Het enkele feit dat er sprake is van een online platform betekent niet dat artikel 7:417 lid 4 BW en artikel 7:425 BW niet van toepassing zouden zijn. Maar ook een online platform kan zo worden ingericht dat het niet in strijd komt met de betreffende bepalingen. Of dit het geval is zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld.

Airbnb handelt in strijd met de wet door bij zowel huurders als verhuurders bemiddelingskosten in rekening te brengen.

Categorieën: Huurrecht, Positie tussenpersonen, Sharing

Tags: , , , , , , , , ,