Rechtbank Den Haag 1 februari 2017 (Novomatic vs. Betsoft), ECLI:NL:RBDHA:2017:912

Rechtbank Den Haag 1 februari 2017 (Novomatic vs. Betsoft), ECLI:NL:RBDHA:2017:912

Met betrekking tot vermeende inbreuk op auteursrecht:

Partijen onderkennen dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) onder ‘de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ in de zin van artikel 5 lid 3 EEX-Vo en artikel 7 lid 2 EEX II-Vo zowel de plaats waar de schadeveroorzakende handeling heeft plaatsgevonden (Handlungsort) als de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort) kan vallen. Volgens het HvJ EU dient als dit laatste – in het geval van een gestelde inbreuk op auteursrecht via internet – te worden aangemerkt de lidstaat waar (1) het door de eiser ingeroepen auteursrecht wordt beschermd èn waar (2) de door eiser beweerde schade als gevolg van die inbreuk kan intreden. Daarbij geldt dat voor dit laatste niet van belang is of de website op de desbetreffende lidstaat gericht is geweest, maar enkel of de website in de lidstaat raadpleegbaar is of is geweest. Nu Novomatic AG c.s. daarnaast voldoende onderbouwd hebben gesteld dat de volgens hen inbreukmakende spellen via websites in Nederland (en derhalve ook in Den Haag) raadpleegbaar waren en konden worden gespeeld, moet de conclusie dan ook zijn dat de rechtbank haar internationale en relatieve bevoegdheid kan baseren op artikel 7 lid 2 EEX II-Vo. Volledigheidshalve merkt de rechtbank hierbij nog op dat deze bevoegdheid (conform de rechtspraak van het HvJ EU) territoriaal tot Nederland beperkt is.

Met betrekking tot vermeende inbreuk op Uniemerkrechten:

Novomatic AG c.s. beroepen zich in het bijzonder op lid 5 van artikel 97 Uniemerkverordening (UMVo) , dat voor zover hier van belang bepaalt dat een inbreukprocedure ook kan worden ingesteld bij de rechter van ‘de lidstaat waar de inbreuk heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden’.

Dit begrip moet autonoom worden uitgelegd en wel aldus dat deze bepaling, anders dan het geval is bij artikel 5 lid 3 EEX-Vo (oud) en artikel 7 onder 2 EEX II-Vo, alleen bevoegdheid verschaft voor de rechter van het Handlungsort, d.w.z. de lidstaat waar de gedaagde partij de vermeende inbreuk heeft gemaakt. In een geval als hier aan de orde, waarin wordt gesteld dat via internet inbreuk op een Uniemerk wordt gemaakt, heeft daarbij als Handlungsort van die inbreuk te gelden de plaats waar het technisch proces dat tot die inbreuk heeft geleid, is gestart. Dit is volgens het HvJ EU dan niet de plaats waar de server zich bevindt, maar de plaats waar de beslissing om het technische proces te starten is genomen, hetgeen in de regel de vestigingsplaats van de exploitant is.

Ten aanzien van gedaagde B, die weigert kenbaar te maken waar hij woont of verblijft, mag het ervoor worden gehouden dat hij niet woonachtig is in één van de lidstaten – en dus kan de rechtbank haar internationale bevoegdheid ook gronden op art. 97 lid 2 UMVo.

Met betrekking tot vermeende inbreuk op Beneluxmerk:

Gedaagden hebben geen van beiden woonplaats binnen het Beneluxgebied. Nu de websites met de volgens Novomatic c.s. inbreukmakende spellen in Nederland – en derhalve ook in Den Haag – raadpleegbaar waren en de spellen hier ook konden worden gespeeld, is deze rechtbank op grond van artikel 4.6 lid 1 BVIE zowel territoriaal als relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen voor zover deze zijn gegrond op het Beneluxmerk ‘Random Runner’.

Categorieën: Auteursrecht, Bevoegdheid/rechtsmacht (Nederlandse) rechter

Tags: , , , , , , , , , ,