Rechtbank Den Haag 25 september 2017 (goed in de zin van art. 248a Sr.), ECLI:NL:RBDHA:2017:11341

Rechtbank Den Haag 25 september 2017 (goed in de zin van art. 248a Sr.), ECLI:NL:RBDHA:2017:11341

De rechtbank overweegt dat foto’s en filmpjes van digitale aard gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent digitale bestanden/objecten (onder meer de Runescapejurisprudentie: ECLI:NL:HR:2012:BQ9251) als goederen in de zin van art. 248a Sr kunnen worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op voornoemde bewijsmiddelen voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte tijdens elke van de drie aangehaalde chatgesprekken op de hoogte was van het feit dat hij met een veertienjarige jongen aan het chatten was. In het tweede aangehaalde chatgesprek zegt hij immers dat hij het “vergeten” was wat de leeftijd van slachtoffer was toen slachtoffer zijn leeftijd van veertien jaar noemde. Dat impliceert dat hij al eerder op de hoogte is geweest van de leeftijd van slachtoffer. Dit wordt ondersteund door het feit dat hij in het eerste hiervoor aangehaalde chatgesprek – dat slechts enkele minuten voor het tweede chatgesprek had plaatsgevonden – seksfilmpjes en foto’s van veertien- en vijftienjarigen aanbood, terwijl het willen aanbieden van leeftijdsgelijk materiaal aan een veertienjarige om deze te bewegen tot ontuchtige handelingen aannemelijker is dan het willen aanbieden van in essentie kinderpornografisch materiaal – met dezelfde intentie – aan iemand waarvan de verdachte dacht dat het een meerderjarige was.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewezen dat slachtoffer door de belofte van seksfilmpjes van minderjarigen door de verdachte is bewogen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, terwijl de verdachte wist dat hij met een veertienjarige van doen had.

Volgt veroordeling tot achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Categorieën: Chat, Goedsdiscussie in het strafrecht