Rechtbank Den Haag 7 maart 2018 (Vestival), ECLI:NL:RBDHA:2018:2643

Rechtbank Den Haag 7 maart 2018 (Vestival), ECLI:NL:RBDHA:2018:2643

Aangezien het merkinbreukverbod wordt toegewezen, valt daaronder ook het gebruik van de domeinnaam met daarin het bestanddeel VESTIVAL. De domeinnaam wordt immers gebruikt ter onderscheiding van waren of diensten (in dit geval het muziekfestival van Havensluis c.s.) en het onderscheidende bestanddeel van de domeinnaam vestival.eu komt overeen met het dominante bestanddeel van het gele merk. Havensluis c.s. heeft op dit punt ook geen verweer gevoerd. Onder het merkinbreukverbod valt ook het doorlinken vanaf die domeinnaam naar een andere domeinnaam zonder het inbreukmakende bestanddeel.

De gevorderde tenaamstelling van deze domeinnaam is eveneens toewijsbaar, aangezien eiser er (spoedeisend) belang bij heeft dat deze domeinnaam wordt gebruikt ten behoeve van het gele merk en niet is gesteld of gebleken welk belang Havensluis c.s. heeft bij het aanhouden van een inbreukmakende domeinnaam.

Met betrekking tot de social-media-accounts (Facebook, Twitter en Instagram) ligt dit anders. Voor zover deze accounts een inbreukmakende naam hebben en/of deze gebruikt worden voor het aanbieden of promoten van muziekfestivals, valt ook dat gebruik onder het op te leggen inbreukverbod. Aangezien voor deze accounts (anders dan voor een domeinnaam) de mogelijkheid tot naamswijziging bestaat – zoals reeds met het Facebook-account is gebeurd –, bestaat er voorshands geen grond voor overdracht van deze accounts. Zonder nadere toelichting – die eiser niet heeft gegeven – valt niet in te zien dat het gebruik van deze accounts na naamswijziging, en met inachtneming van het inbreukverbod, nog inbreukmakend is op de merkrechten van eiser.

Voorshands is voorts onvoldoende duidelijk dat eiser recht heeft op de door hem beoogde overdracht van de volgers van de betreffende accounts. De enkele omstandigheid dat er sprake is geweest van inbreuk op een merk betekent niet zonder meer dat de merkrechthebbende recht heeft op overdracht van de goodwill die de inbreukmaker heeft gegenereerd. Om te beoordelen aan wie die goodwill (in de vorm van volgers) toekomt is nader feitenonderzoek noodzakelijk waarvoor dit kort geding zich niet leent. Hierbij zullen vragen spelen als: (i) hoeveel van die goodwill moet worden toegeschreven aan het inbreukmakende merkgebruik, (ii) hoeveel van die goodwill moet worden toegeschreven aan de (goede) organisatie van het evenement (hoe ook geheten) en bijbehorende line-up van artiesten, (iii) hoeveel volgers waren er in 2016 toen Havensluis c.s. de organisatie van A overnam en (iv) hoeveel is er door welke partij in de goodwill geïnvesteerd. Voor zover eiser stelt dat de volgers kunnen worden aangemerkt als een databank faalt deze grondslag omdat niet voldoende aannemelijk is dat hij rechthebbende van die (beweerdelijke) databank is. Volgens artikel 1 onder b en artikel 2 Databankenwet is rechthebbende de producent van de databank, dat wil zeggen degene die het risico draagt van de voor de databank te maken investering. Havensluis c.s. heeft gesteld dat zij tijdens haar beheer het aantal Facebook-volgers door middel van aanzienlijke investeringen heeft doen toenemen van 30 tot 64.000, terwijl eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op enige wijze in deze accounts of de volgers heeft geïnvesteerd.

Categorieën: Databankenrecht, Domeinnamenrecht, Merkenrecht, Sociale netwerksites

Tags: , , , , , , , , , , ,