Rechtbank Den Haag 9 maart 2017 (Arfos), ECLI:NL:RBDHA:2017:5162

Rechtbank Den Haag 9 maart 2017 (Arfos), ECLI:NL:RBDHA:2017:5162

Geen van de getuigen heeft verklaard dat hij of zij gedaagde een of meer van de in het geding zijnde Facebookberichten heeft zien schrijven en heeft zien plaatsen op zijn Facebookpagina dan wel op de Facebookpagina van Arfos. Nu niet anderszins is gebleken dat hij dat heeft gedaan, is te concluderen dat Arfos het verlangde bewijs niet heeft geleverd.

In reconventie: uit de in het geding zijnde publicatie blijkt dat de directeur van Arfos gedaagde onder meer heeft beschreven als een vreemde snoeshaan die na zijn ontslag helemaal doordraaide en op Facebook dreigde langs te komen met een geladen geweer, die de familie van de directeur van Arfos en zijn personeel wat zou aandoen en die meldde (…) dat hij een medewerker had doodgeschoten en onderweg was naar de volgende. Nu niet is komen vast te staan dat gedaagde de bedoelde mededelingen op Facebook heeft gedaan, is te oordelen dat de directeur van Arfos zich niet in de zojuist bedoelde zin over gedaagde heeft mogen uitlaten. Door dat zonder enig voorbehoud wel te doen, heeft hij zich jegens gedaagde onrechtmatig gedragen. Daarbij is ook van belang dat de directeur van Arfos blijkens de hier aan de orde zijnde publicatie ten onrechte de suggestie heeft gewekt dat hij voor zijn beschuldigingen het bewijs in handen had (Heijstek deed aangifte bij de politie en klopte voor juridische bijstand aan bij zijn neef, die jurist is. Ze verzamelden bewijzen, waaronder screenprints van de beschuldigingen en bedreigingen op Facebook die (…) onder zijn eigen naam had geplaatst). Het is voldoende aannemelijk dat deze publicaties voor gedaagde nadelige gevolgen kunnen hebben gehad.

Categorieën: Arbeidsrecht, Bewijs (privaatrechtelijk), Sociale netwerksites

Tags: , , , ,