Rechtbank Gelderland 12 september 2017 (gepromoveerd criminoloog), ECLI:NL:RBGEL:2017:4685

Rechtbank Gelderland 12 september 2017 (gepromoveerd criminoloog), ECLI:NL:RBGEL:2017:4685

In het verleden heeft in de wet enige jaren een uitzondering gestaan, waarin was bepaald dat degene die kinderpornografische afbeeldingen in voorraad heeft waarvan vaststaat dat hij deze voor een wetenschappelijk, educatief of therapeutisch doel gebruikt niet strafbaar is. Die uitzondering is met ingang van 1 oktober 2002 uit de wet gehaald (Stb. 2002, 388; inwerkingtreding. Stb. 2002, 470). De uitzondering is geschrapt, niet omdat men wetenschappelijk onderzoek naar kinderpornografie onmogelijk wilde maken, maar omdat men wilde voorkomen dat personen en instanties eenvoudig onder het mom van wetenschappelijk onderzoek een verzameling van kinderpornografisch materiaal zouden kunnen aanleggen (Kamerstukken II 2001-2002, 27 745, nr. 12).

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat verdachte het aangetroffen materiaal voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek in zijn bezit heeft gehad.

Verdachte beschikte niet over een ontheffing voor het bezit van het materiaal en voor het verspreiden

ervan. Verdachte is over het aanleggen van zijn verzameling niet in overleg getreden met het Openbaar Ministerie, terwijl verdachte – als afgestudeerd en gepromoveerd criminoloog – moet hebben geweten dat onderzoek naar kinderpornografisch materiaal slechts onder zeer strikte voorwaarden kan worden toegestaan.

Overleg met het Openbaar Ministerie had verdachte bovendien informatie gegeven over de vraag over welk materiaal politie en justitie reeds beschikken in het kader van opsporing en vervolging. Nu verdachte naar deze beschikbaarheid geen onderzoek heeft gedaan, is het niet aannemelijk dat het voor verdachte noodzakelijk was een eigen collectie aan te leggen.

Daar komt bij dat niet is gebleken dat verdachte was verbonden aan een onderzoeksinstituut en dat zijn onderzoek was ingebed in een onderzoeksprogramma. Het materiaal van verdachte stond op vier verschillende privé computers die zich bevonden in de eigen woning van verdachte en de woning van de moeder van verdachte. Uit het dossier blijk niet dat op de computers een onderzoeksopzet en vraagstelling zijn gevonden. In zijn brief schrijft verdachte dat het evident is dat eerst een archief van enige omvang moet worden opgebouwd voordat materiaal kan worden geanalyseerd en verklaard en dat het bij hem zo is dat pas bij het daadwerkelijke schrijven duidelijk wordt welk materiaal wordt gebruikt en in welke wetenschappelijke context dat gebeurt. Nu een groot gedeelte van het materiaal reeds was verwijderd en verdachte chatgesprekken voerde waarin hij ook materiaal heeft verspreid, acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte doende was een wetenschappelijk archief op te bouwen.

Onder deze omstandigheden komt verdachte geen beroep toe op ontbreken van materiële wederrechtelijkheid van zijn handelen.

Volgt veroordeling tot 16 maanden gevangenisstraf waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Categorieën: Kinderporno, Zedendelicten

Tags: , , , , , , ,