Rechtbank Maastricht 2 februari 2011 (dagvaarding per email), LJN BP3030 (ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3030)



Rechtbank Maastricht 2 februari 2011 (dagvaarding per email), ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3030, LJN BP3030

Op grond van artikel 588a, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres, indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.


In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 588a van het Wetboek van Strafvordering is onder andere te lezen: “artikel 588a geeft de verdachte op drie momenten de gelegenheid om een adres op te geven – anders dan zijn of haar GBA-adres – waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden gezonden: bij het eerste verhoor, bij het begin van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel. Dit behoeft niet het woonadres te zijn, maar kan ook een ander adres zijn waarop verdachte bereikt kan worden” (Kamerstukken II 2004/2005, 29 805, nr. 3, p. 11-12).


Voorts bepaalt artikel 585, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dat kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, geschiedt door betekening, toezending of mondelinge mededeling. Toezending geschiedt, ex artikel 585, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, door middel van een gewone of aangetekende brief over de post dan wel op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze. De clausule ‘dan wel op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze’ laat, aldus de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2004/05, 29 805, nr. 3, p. 20) ruimte voor toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot elektronische verzending van mededelingen in het strafproces en voor het stellen van regels daaraan.
Nu het openbaar ministerie in de geschetste situatie, ook na herhaalde opdracht van de rechtbank, heeft geweigerd om verdachte per e-mail op de hoogte te brengen van de inhoud van de tenlastelegging, de rechten van verdachte en van de dag, het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, ziet de rechtbank reden om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte.


Categorieën: E-mail, nocategory, Strafvordering

Tags: , , , , , ,