Rechtbank Midden-Nederland 24 mei 2019 (voorlopig getuigenverhoor e-Court), ECLI:NL:RBMNE:2019:2304

Rechtbank Midden-Nederland 24 mei 2019 (voorlopig getuigenverhoor e-Court), ECLI:NL:RBMNE:2019:2304

De Staat betwist dat er sprake is geweest van een publicitair offensief van leden van de rechterlijke macht dat zich zou richten op het creëren van negatieve beeldvorming rondom e-Court en dat zou zijn ingegeven door concurrentiemotieven. De Staat kan het belang van e-Court bij het horen van getuigen echter niet wegnemen door in haar verweerschrift uit te leggen hoe het volgens de Staat wel zit. Voor de vraag of het verzoek tot het horen van getuigen kan worden toegewezen, hoeft ook niet vast te staan dat de stellingen waarop e-Court zich beroept feitelijk juist zijn. Het voorlopig getuigenverhoor is immers bedoeld om e-Court in de gelegenheid te stellen opheldering te verkrijgen omtrent de voor het eventueel aan te spannen geding van belang zijnde feiten en omstandigheden – die haar nog niet precies bekend zijn –, zulks teneinde haar in staat te stellen haar positie beter te beoordelen.

De door e-Court gewraakte en door de Staat niet betwiste uitlatingen zien direct op e-Court en haar werkwijze. De stellingen van e-Court komen er -samengevat- op neer dat deze uitlatingen onderdeel uitmaken van een vooropgezet plan om uit concurrentieoverwegingen de dienstverlening door e-Court onmogelijk te maken.

Rechtbank beveelt voorlopig getuigenverhoor.

Categorieën: Bewijs (privaatrechtelijk), Burgerlijk procesrecht

Tags: , , ,