Rechtbank Midden-Nederland 7 juni 2018 (briefgeheim en chats), ECLI:NL:RBMNE:2018:2655

Rechtbank Midden-Nederland 7 juni 2018 (briefgeheim en chats), ECLI:NL:RBMNE:2018:2655

Toepassing van art. 101 Sv. op berichten in chatprogramma op mobiele telefoon.

De vraag is of er voldoende parallellen zijn tussen de situatie dat berichten worden gelezen die ná hernieuwde aansluiting op het netwerk op de telefoon binnenkomen en de situatie dat poststukken moeten worden geopend om de inhoud te kunnen lezen. Met andere woorden, moet het lezen van de berichten op de telefoon in dit geval worden opgevat als het openen van een gesloten poststuk.

Het verschil tussen een poststuk en berichten op een telefoon is dat een poststuk iemand bereikt door tussenkomst van een postvervoerbedrijf en een elektronisch bericht op de telefoon automatisch binnenkomt. Voor de beoordeling van bovenstaande vraag is dat geen relevant verschil, omdat het gaat om de ratio van de bepaling, de eerbiediging van het briefgeheim. Dat de eerbiediging van het telecommunicatiegeheim nog geen plaats heeft gekregen in de Grondwet, hoeft geen beletsel te zijn om daar wel ruimte voor te bieden.

Waar het om gaat is dat een geadresseerde van een gesloten poststuk daar kennelijk zelf nog geen kennis van heeft genomen en dat de wetgever in zo’n geval de keuze heeft gemaakt dat voor het openen daarvan een rechter toestemming moet hebben gegeven. In het geval van elektronische communicatie zit er geen gesloten envelop om een bericht. Sterker nog, door middel van verschillende devices kan iemand via internet toegang krijgen tot chat- en andere communicatieprogramma’s.

Wanneer iemand niet meer de beschikking heeft tot zijn telefoon hoeft dat niet te betekenen dat hij na de inbeslagname daarvan geen toegang meer heeft gekregen tot zijn bestanden. Daarom is een parallel tussen gesloten enveloppen en de in deze casus, na 26 maart binnengekomen berichten niet op voorhand te trekken.

Maar omdat bekend is uit eerder onderzoek aan de telefoon van verdachte dat verdachte gebruik maakte van het chat programma “Telegram” waarbij de berichten kort na het lezen worden vernietigd, is de kans groot dat wanneer de telefoon verbinding maakt met het netwerk de berichten die verschijnen in ieder geval in het programma “Telegram” berichten zijn die nog niet gelezen zijn.

Zo bezien is er een relevante parallel te trekken tussen de poststukken in een gesloten envelop waar het briefgeheim op ziet en de nog te laden berichten op de telefoon van verdachte. Naar analogie van het bepaalde in artikel 101, lid 2 Sv is voor het lezen van de berichten die op de telefoon binnenkomen als deze wordt aangezet en verbonden met het netwerk, dan ook een beslissing van de rechter-commissaris vereist.

Categorieën: Chat, Smartphone, Strafvordering

Tags: , , , ,