Rechtbank Noord-Holland 28 mei 2019 (nevenfuncties gemeenteambtenaren), ECLI:NL:RBNHO:2019:4520

Rechtbank Noord-Holland 28 mei 2019 (nevenfuncties gemeenteambtenaren), ECLI:NL:RBNHO:2019:4520

Wob-verzoek nevenfuncties gemeenteambtenaren.

In geschil is of verweerder met het niet geanonimiseerd openbaar maken van nevenfuncties van een ambtenaar informatie openbaar maakt die kan leiden tot identificatie van een persoon bij hem in dienst. De rechtbank ziet zich daarmee voor de vraag gesteld of het enkele openbaarmaken van een (volledige) nevenfunctie, zonder de daarbij behorende naam van de ambtenaar te vermelden, de persoonlijke levenssfeer raakt. Niet is uit te sluiten dat in een enkel geval openbaarmaking van de enkele nevenfunctie tot identificatie kan leiden. Dat betekent dat verweerder terecht getoetst heeft of de bekendmaking van de nevenfuncties kan leiden tot identificatie van de betreffende ambtenaar.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de kolom nevenfuncties nagenoeg alle namen en plaatsen heeft gemaskeerd. Dat openbaarmaking van deze gegevens ertoe leidt dat deze zonder onevenredige inspanning te herleiden zijn naar een persoon, volgt de rechtbank niet. Dat in al die gevallen sprake is van kleine(re) organisaties is ten eerste feitelijk onjuist.

Daarnaast betekent een nevenfunctie bij een kleine(re) organisatie niet per definitie dat openbaarmaking van die nevenfunctie maakt dat dit gegeven herleidbaar is tot de betreffende persoon, zoals ook is gebleken uit een beperkt, steekproefsgewijs verricht, onderzoek door de rechtbank op internet. Uit dit onderzoek is de rechtbank gebleken dat een aantal nevenfuncties (in combinatie met de openbaar gemaakte huidige functie bij de gemeente) niet te herleiden is tot een persoon.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder er niet in gevolgd kan worden dat elke openbaarmaking van deze gemaskeerde gegevens kan leiden tot identificatie van een of meer personen. Reeds daarom kan het (ongeclausuleerde) beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, niet aan de weigering te grondslag worden gelegd. Niet gebleken is immers dat in alle gevallen sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

Verweerder zal alsnog inzichtelijk moeten maken op welke wijze openbaarmaking van welke nevenfuncties tot identificatie kan leiden en welke criteria hij bij de beoordeling daarvan hanteert. Daarnaast zal verweerder draagkrachtig moeten motiveren, in geval een nevenfunctie tot herleidbaarheid kan leiden, waarom het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dat geval zwaarder weegt dan het belang bij openbaarmaking. De enkele motivering dat een nevenfunctie behoort tot het privédomein en dat daarom geen sprake is van beroepshalve functioneren is daarvoor onvoldoende.

Categorieën: Bestuursrecht, Openbaar

Tags: , , , , , , , , , , , ,