Rechtbank Noord-Holland 7 augustus 2017 (doofpot), ECLI:NL:RBNHO:2017:6737

Rechtbank Noord-Holland 7 augustus 2017 (doofpot), ECLI:NL:RBNHO:2017:6737

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat op grond van het voorgaande voldoende vast dat gedaagde in de afgelopen jaren ondanks sommaties van de kant van eiseres om daarmee op te houden vooral door middel van mailberichten contact met haar heeft gezocht. Eiseres heeft bij herhaling aangegeven dat zij geen contact wil, geen enkel contact op geen enkele manier. Daaronder valt dus ook het doen van een voorstel om tot een minnelijke regeling te komen (dat kan via de advocaat), alsmede het ongevraagd confronteren met zijn theorieën. Het patroon dat zich daarmee ook recent aftekent is dat gedaagde na daartoe te zijn gesommeerd het contact tijdelijk staakt. Dit blijkt echter telkens van korte duur. In 2013, respectievelijk 2015 oordeelden de voorzieningenrechter van deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep nog dat een contactverbod op dat moment niet aan de orde was. In het eerstgenoemde vonnis is gedaagde echter wel een duidelijke waarschuwing gegeven voor toekomstig gedrag.

De in het geding gebrachte mails van gedaagde behelzen naast het opdringen aan eiseres van zijn theorieën over de moord op A. en van vermeende misstanden bij justitie, op zijn minst pijnlijke, verwijtende, beledigende en/of denigrerende uitlatingen aan het adres van eiseres die daardoor telkens geconfronteerd wordt met de trieste gebeurtenissen uit het verleden. De passage waar gedaagde aangeeft dat, indien Moszkowicz niet wil doen wat hij zegt, hij ‘eiseres tot de afgrond’ zal brengen, is bovendien als bedreigend aan te merken. eiseres wordt daardoor tegen haar uitdrukkelijke wil bovendien steeds opnieuw geconfronteerd met de complottheorieën van gedaagde en zijn beroep aan haar om zich aan zijn zijde te scharen.

De voorzieningenrechter acht de handelwijze van gedaagde onder die omstandigheden een ongerechtvaardigde inbreuk op haar privacy en dus onrechtmatig.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat tegen de stelling van eisers dat gedaagde in het artikel delen uit dagboek van A. zijn gepubliceerd die auteursrechtelijk beschermd zijn, geen verweer is gevoerd. Het onrechtmatige van de publicatie jegens eiseres is daarmee gegeven. Het artikel is inmiddels verwijderd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de inhoud van het artikel beschuldigend is en daarmee slechts leedtoevoeging kan zijn bedoeld. Het behoeft immers geen betoog dat het voor eiser uiterst pijnlijk moet zijn om te worden geconfronteerd met ernstige verwijten aan zijn adres waarbij bovendien de suggestie wordt gewekt dat zijn zus deze naar hem uit. Niet valt in te zien hoe een dergelijk artikel kan bijdragen aan het maatschappelijk debat dan wel aan de misstand die gedaagde meent te gaan bewijzen.

Categorieën: Onrechtmatige uitingen (privaatrechtelijk), Privacy

Tags: ,