Rechtbank Noord-Nederland 1 mei 2015 (Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers), ECLI:NL:RBNNE:2015:2122

Rechtbank Noord-Nederland 1 mei 2015 (Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers), ECLI:NL:RBNNE:2015:2122

Eiser is bij arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar en tbs met dwangverpleging wegens een in juni 2005 gepleegde moord op zijn partner H, tevens moeder van hun twee kinderen.

Op internet werd er door het zoekprogramma van Google een verbinding gelegd tussen enerzijds de naam van eiser, anderzijds de moord die hij had gepleegd op H en de strafrechtelijke consequenties daarvan voor hem. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 13 mei 2014 inzake Google (ECLI:EU:C:2014:317), heeft eiser Google verzocht deze link tussen zijn persoon en deze daad te verwijderen; aan dat verzoek heeft Google inmiddels gevolg gegeven.

Het verzoek van eiser aan Google is op internet gepubliceerd geweest. De vader van H, gedaagde sub 4, heeft binnen de Federatie aandacht gevraagd voor het aldus verhullen van hun verleden door voor moord veroordeelden; zijn bericht is, samen met het verzoek van eiser aan Google (en het persbericht uit 2007 waarin de uitspraak van het Gerechtshof uitgebreid is aangehaald) door de Federatie op haar website geplaatst.

Bij het opgeven van de volledige naam van eiser als zoekterm in het zoekprogramma van Google wordt als eerste zoekresultaat een link weergegeven die verwijst naar de pagina van de website van de Federatie waarop bedoeld bericht van de vader van H met het verzoek van eiser aan Google en het persbericht is weergegeven.

De veroordeling tot een ernstig misdrijf brengt negatieve publiciteit met zich; die publiciteit is in het algemeen blijvend relevant ten aanzien van de persoon van de veroordeelde. Het recht om als dader van een ernstig misdrijf juist te worden vergeten wordt echter zwaarwegender naarmate het gebeuren verder weg ligt in de tijd en die dader zijn ‘schuld’ aan de maatschappij in het algemeen en de nabestaanden in het bijzonder verder heeft afgelost. De bijzonderheden van dit geval zijn met name (1e) dat de moord nog maar minder dan 10 jaar geleden heeft plaatsgevonden, (2e) dat de door de strafrechter opgelegde vrijheidsstraf weliswaar is uitgezeten, maar dat de indertijd opgelegde tbs-maatregel nog bestaat, zij het in de vorm van een voorwaardelijke maatregel, alsmede (3e) dat eiser niet de indruk wekt te beseffen dat hij vreselijk in het krijt staat bij (de rest van) de samenleving, in het bijzonder de nabestaanden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiser (zonder veel succes) meerdere procedures heeft gevoerd om betrokken te blijven bij zijn kinderen, die nu bij de ouders van [H] een veilige, vertrouwde plek hebben gevonden. Uit die stukken blijkt ook dat het gedwongen verblijf in de tbs-kliniek niet omgezet is in een ambulante maatregel omdat eiser is uitbehandeld, maar vanwege de omstandigheid dat er (bij een laag-matig recidive-risico) een langdurige behandelimpasse is ontstaan omdat eiser geen inzicht ontwikkelt. Dat eiser nog niet echt tot inzicht in het verwerpelijke karakter van zijn daad lijkt te zijn gekomen, verhoudt zich slecht met een recht om als dader te worden vergeten.

Tegenover het belang van eiser om niet te worden geassocieerd met zijn daad, staat het belangrijke recht van gedaagden op vrijheid van meningsuiting. Als uitgangspunt in onze samenleving geldt dat grote terughoudendheid moet worden betracht bij het beperken van de mogelijkheden van een burger om zich door woorden te uiten, ook als die uiting anderen treft. Zijn gedachten en gevoelens te kennen geven aan anderen is immers wezenlijk voor het mens-zijn. Het recht om zich te uiten vindt slechts – bij wijze van uitzondering – zijn begrenzing in de zorgvuldigheid en betamelijkheid die in het maatschappelijk verkeer jegens anderen in acht moet worden genomen. Gedaagden gebruiken hun vrijheid van meningsuiting in dit geval niet op een buitensporige wijze, bijvoorbeeld door de naam van eiser uitsluitend te publiceren om hem te treffen. De vrijheid van meningsuiting wordt benut vanwege de hiervoor genoemde beweegredenen, die de voorzieningenrechter als respectabel aanmerkt. De voorzieningenrechter onderkent in verband met het voorgaande dat het publiek in het algemeen een groot belang heeft om toegang te hebben tot informatie omtrent ernstige delicten en dus ook omtrent de strafrechtelijke gevolgen van zijn daad voor eiser.

Alles afwegende acht de voorzieningenrechter het belang van gedaagden bij het uitoefenen van hun recht op vrije meningsuiting op de wijze waarop zij dat hier doen, op dit moment zwaarwegender dan het recht van eiser op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Of en zo ja wanneer dat in de toekomst anders zal kunnen zijn, is voor de nu te geven beslissing niet van belang.

Categorieën: Onrechtmatige uitingen (privaatrechtelijk), persoonsgegevens, Zoekmachine

Tags: , , ,