Rechtbank Noord-Nederland 24 april 2019 (convenant van internet), ECLI:NL:RBNNE:2019:1795

Rechtbank Noord-Nederland 24 april 2019 (convenant van internet), ECLI:NL:RBNNE:2019:1795

Echtscheidingsconvenant bepaalt dat verplichting van de man om uit hoofde van de echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de vrouw op grond van art. 1:160 BW definitief komt te vervallen wanneer de man duurzaam samenwoont met een nieuwe partner als waren zij gehuwden of geregistreerd partners.

De vrouw stelt dat dit artikel van het convenant innerlijk tegenstrijdig is, omdat de tekst hiervan afwijkt van de inhoud van artikel 1:160 BW. Dit maakt volgens de vrouw duidelijk dat er sprake is van een kennelijke verschrijving.

De man stelt dat hij niet wist wat er in artikel 1:160 BW stond en dat hij afging op wat de mediator voorlas. De man wijst erop dat er vooraf geen conceptversies van het convenant aan partijen zijn toegestuurd. De mediator haalde een voorbeeld van een convenant van internet en paste dat aan naar de tekst die voor partijen van toepassing was. De man ging ervan uit dat alles klopte, ook omdat de afspraken hem goed pasten en hij daarin een bepaalde logica zag.

Op grond van de omstandigheden, dat alleen de mediator betrokken was bij de totstandkoming van het convenant, er geen mogelijkheid is geboden om een conceptversie aan een (deskundige) ander voor te leggen vóórdat partijen het convenant sloten en de man de inhoud van artikel 1:160 BW niet kende, is de rechtbank van oordeel dat de man ervan uit mocht gaan dat de tekst van het convenant juist was. De tekst is daarom leidend en deze laat geen ruimte voor interpretatie.

Categorieën: Personen- en familierecht

Tags: , , , , ,