Rechtbank Rotterdam 17 januari 2011 (Koebanzaak), LJN BP0954 (ECLI:NL:RBROT:2011:BP0954)



Rechtbank Rotterdam 17 januari 2011 (Koebanzaak), ECLI:NL:RBROT:2011:BP0954, LJN BP0954

De lokale en landelijke media hebben voorafgaand en tijdens de zittingsdagen uitvoerig over de zaak bericht. In diverse artikelen is ingegaan op hetgeen in de Koebanzaak gebeurd zou zijn. De artikelen schetsen de verdachten als een groep jongens die met respectloos seksueel grensoverschrijdend gedrag langdurig op grove wijze misbruik heeft gemaakt van aangeefster. Ook de reacties op deze berichtgeving, ingezonden op de diverse internetfora van deze media, zijn talrijk en veelal vol negatieve emotie richting de verdachten. De aanleiding voor dit beeld en deze reacties vindt haar basis hoogstwaarschijnlijk in belangrijke mate in de circa 200 pagina’s tellende aangifte. In die aangifte doet aangeefster verslag van afschuwelijke gebeurtenissen. De rechtbank heeft, gelet op die aangifte en de rol die de media in onze samenleving hebben, begrip voor de wijze waarop over de zaak is bericht. Ook ziet de rechtbank in dat eenieder het recht heeft om, ook op basis van beperkte informatie, zijn mening te vormen en publiekelijk te uiten.
De rechtbank hecht er aan om op te merken dat de vraag die zij in dit vonnis moet beantwoorden, niet dezelfde vraag is als die waarop in de media en op de fora een antwoord lijkt te worden gegeven. De rechtbank staat in de kern namelijk slechts voor de vraag of de concrete feiten zoals deze aan de verdachte ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen. Anders gezegd of de verdachte een strafrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt. Dat het instrumentarium en het toetsingskader bij de beantwoording van die vraag andere zijn dan die de media en de burger ter beschikking staan, behoeft geen betoog.



Bij de ten laste gelegde feiten is de facto slechts één bewijsmiddel voorhanden zodat het wettig bewijs voor deze feiten ontbreekt.


Categorie├źn: nocategory, Strafvordering

Tags: , , , ,