Rechtbank Utrecht 22 april 2010 (cartoons), LJN BM5860 (ECLI:NL:RBUTR:2010:BM5860)



Rechtbank Utrecht 22 april 2010 (cartoons), ECLI:NL:RBUTR:2010:BM5860, LJN
**BM5860**

De rechtbank acht de cartoon op zichzelf beschouwd beledigend, zowel naar het spraakgebruik (beledigend, kwetsend voor Joden) als in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (beledigend over Joden). Echter, de context waarin de cartoon is geplaatst ontneemt naar het oordeel van de rechtbank het beledigende karakter daaraan.


Namens verdachte is gesteld dat de verdachte zich begin 2006 wilde mengen in het publieke debat dat was ontstaan na de publicatie van de ‘Deense cartoons’ over de profeet Mohammed. In de visie van de verdachte is er sprake van een dubbele moraal in de media en het publieke debat. Enerzijds wordt gesteld dat moslims niet begrijpen hoe de vrijheid van meningsuiting werkt bij cartoons over onderwerpen die voor hen gevoelig zijn (en die zij daardoor als beledigend ervaren). Dit geldt bijvoorbeeld voor cartoons over de profeet Mohammed. Anderzijds worden cartoons over onderwerpen die in de westerse seculiere samenleving gevoelig liggen niet geaccepteerd.


Om die dubbele moraal aan de orde te stellen, heeft de verdachte aanvankelijk een persverklaring uitgebracht. Omdat deze persverklaring niet leidde tot enige media aandacht, heeft de verdachte er vervolgens voor gekozen om (onder meer) de thans ten laste gelegde cartoon, ter illustratie van voornoemde beweerdelijke dubbele moraal, op enkele websites te plaatsen.


De rechtbank overweegt dat de cartoon en de hierop betrekking hebbende uitlatingen van verdachte onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De rechtbank merkt op dat de begeleidende vrijwarende tekst niet – zonder meer – een vrijbrief vormt die leidt tot straffeloosheid. De rechtbank overweegt echter dat verdachte van meet af aan nadrukkelijk afstand heeft genomen van de inhoud van de cartoon en – onder meer – heeft verklaard dat men de Holocaust als historisch feit niet ontkent. Dit gebeurde niet alleen door een mededeling op de site, maar ook door het uitbrengen van een persbericht en ook bij optreden in de media.


Dit alles overwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat het als beledigend kwalificeren van de in de telastelegging opgenomen cartoon in de zin van artikel 137c Sr. niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. Volgt vrijspraak.


Categorieën: Belediging (strafrecht), nocategory, Uitingsdelicten, Vrijheid van meningsuiting

Tags: , , , , , , , , , ,