Rechtbank Utrecht 9 november 2010 (vervaardigen virtuele kinderporno), LJN BO3818 (ECLI:NL:RBUTR:2010:BO3818)



Rechtbank Utrecht 9 november 2010 (vervaardigen virtuele kinderporno), ECLI:NL:RBUTR:2010:BO3818, LJN BO3818


In de jurisprudentie is uitgemaakt dat bestanden met kinderporno aangetroffen in lost files, temporary internet files, unallucated clusters en recovered folders onvoldoende zijn voor het aannemen van bezit in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. Dit is slechts anders indien er sprake is van bijkomende omstandigheden waaruit bijvoorbeeld blijkt dat de bestanden beschikbaar voor opening zijn geweest gedurende een zekere vast te stellen periode.


Bij de laatste wetswijziging is de term “schijnbaar betrokken” geïntroduceerd in art. 240b Sr. De afgebeelde persoon moet net echt lijken. Het moet gaan om realistische, niet van echt te onderscheiden afbeeldingen. Voor het vervaardigen van de virtuele kinderpornografische afbeeldingen zijn door verdachte drie hoofden van meisjes gebruikt die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet hadden bereikt. Op een aantal mannelijke afbeeldingen is het hoofd van verdachte geplakt zodat de indruk wordt gewekt dat hij ontuchtige handelingen en/of gemeenschap (penetratie) heeft met de meisjes die schijnbaar zijn betrokken. De verbalisanten hebben opgemerkt dat een groot aantal van de afbeeldingen zodanig van kwaliteit zijn dat nauwelijks is te zien dat deze zijn gemanipuleerd.


Categorieën: Kinderporno, nocategory, Virtuele omgeving

Tags: , , , , , ,