Voorzieningenrechter Groningen 1 april 2011 (hotel(kamer)veiling), LJN BP9907 (ECLI:NL:RBGRO:2011:BP9907)



Voorzieningenrechter Groningen 1 april 2011 (hotel(kamer)veiling), ECLI:NL:RBGRO:2011:BP9907, LJN BP9907


Een handelsnaam behoeft geen onderscheidend vermogen te hebben, om handelsnaam te zijn en de bescherming van artikel 5 Hnw mogelijk te maken. Dat geldt ook voor zuiver beschrijvende handelsnamen, danwel handelsnamen die uit diverse beschrijvende elementen zijn samengesteld, zoals de in geding zijnde handelsnamen.
Dit neemt niet weg dat bij het bepalen van de beschermingsomvang van de handelsnaam de onderscheidende kracht van die naam wel een rol speelt. Voor zover echter een naam meer beschrijvend is, heeft deze een minder groot onderscheidend vermogen.
Bovendien mogen zuiver beschrijvende elementen – als beroepsaanduiding of de aanduiding van een vestigingsplaats – in beginsel niet door middel van een handelsnaam worden gemonopoliseerd. Een partij die niettemin gebruik maakt van een dergelijke handelsnaam, kan vervolgens een andere onderneming niet op goede gronden verwijten hetzelfde te doen.
Aanduidingen in de handelsnaam die van zichzelf (door grote originaliteit) of door langdurig gebruik (inburgering) grote onderscheidingskracht hebben verworven, zullen ook een grotere bescherming kunnen verkrijgen.
In het onderhavige geval is duidelijk dat de in geding zijnde handelsnamen louter uit beschrijvende elementen bestaan. Niet aannemelijk is geworden dat de handelsnaam van eiseres hetzij door langdurig gebruik is ingeburgerd hetzij van een grote originaliteit getuigt, waardoor deze handelsnaam een (grote) onderscheidingskracht heeft verworven.
Gelet daarop is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat eiseres een gerechtvaardigd beroep op de bescherming van artikel 5 Hnw kan doen. Door haar handelsnaam geheel en al samen te stellen uit beschrijvende elementen, heeft eiseres het risico genomen dat andere bedrijven gebruik maken van een handelsnaam met dezelfde beschrijvende woorden.



De voorzieningenrechter overweegt daaromtrent dat niet aannemelijk is gemaakt dat het handelen van gedaagde méér inhoudt dan het zich begeven op dezelfde markt als waarop eiseres actief was en is.
In beginsel staat het iedere ondernemer vrij zich op dezelfde markt te begeven als een andere ondernemer. Ook indien dat betekent dat de eerstgenoemde ondernemer zodoende gebruik maakt van de populariteit van de diensten van de ander. Geoorloofde concurrentie bestaat immers juist bij uitstek uit het (op rechtmatige wijze) pogen binnen te dringen in elkaars bedrijfsdebiet en het zich richten op dezelfde klantenkring.
Slechts bijzondere omstandigheden kunnen de concurrentie onrechtmatig maken.


Categorieën: Domeinnamenrecht, Handelsnaamrecht, nocategory

Tags: , , , , , , ,