Voorzieningenrechter Rechtbank Amsterdam 12 februari 2015 (container-kwestie), ECLI:NL:RBAMS:2015:716

Voorzieningenrechter Rechtbank Amsterdam 12 februari 2015 (container-kwestie), ECLI:NL:RBAMS:2015:716

Allereerst wordt overwogen dat terughoudendheid is geboden bij het opleggen van beperkingen aan de werking van een zoekmachine als Google Search. Zoekmachines als Google Search vervullen immers een belangrijke maatschappelijke functie. Het internet bevat een onmetelijke hoeveelheid informatiebronnen, waaronder een onvoorstelbaar groot aantal websites. De inhoud van het internet verandert bovendien per seconde. Zoekmachines helpen de internetgebruiker in deze oceaan van informatie bij het zoeken naar de informatie waarnaar hij/zij op zoek is. Verder is van belang dat zoekmachines zonder menselijke tussenkomst functioneren, in die zin dat de zoekresultaten via een geautomatiseerd systeem volgen op door de internetgebruiker ingevoerde zoektermen. De functie van catalogus, die de zoekmachine in feite is, zou ernstig worden belemmerd indien strenge beperkingen aan de werking ervan zou worden opgelegd en daarmee zou de zoekmachine aan geloofwaardigheid inboeten.

De wijze waarop Google Inc. bij het aanbieden van haar zoekmachine persoonsgegevens verwerkt, is gerechtvaardigd op grond van de in artikel 8 sub f Wbp genoemde verwerkingsgrond, dat de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van haarzelf en dat van de gebruikers voor wie zij de gegevens ontsluit en de partijen van wie zij de gegevens ontsluit. Dit is immers in het Costeja-arrest bevestigd en wordt ook niet betwist door eiser.

Bij de toepassing van het zogenoemde ‘verwijderingsrecht’ gaat het vooral om – kort gezegd – de relevantie van de gevonden zoekresultaten, en niet zozeer om de vraag of de inhoud van (in dit geval) de gevonden artikelen zelf ontoereikend, irrelevant of bovenmatig is. Indien eiser een inhoudelijke toetsing wenst van een artikel dat via een zoekopdracht vindbaar is, staat het hem vrij het medium dat over hem heeft bericht aan te spreken. In zo’n procedure kan het bestaande juridisch beoordelingskader voor onrechtmatige perspublicaties worden toegepast, waarin onder meer wordt gewogen in welke mate een bepaalde uiting steun vond in het beschikbare feitenmateriaal. Een beroep op artikel 36 en 40 Wbp is niet bedoeld om die procedure te omzeilen. Het is evenmin bedoeld om onwelgevallige maar niet onrechtmatige artikelen via de omweg van een verwijderingsverzoek aan een zoekmachine-exploitant aan het zicht van het publiek te onttrekken.

Vervolgens dient te worden nagegaan of zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met de bijzondere situatie van eiser zich ertegen verzetten dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet het geval. Zoals eerder overwogen is het ‘verwijderingsrecht’ een uitzondering op het algemene uitgangspunt op het recht van Google Inc. op informatievrijheid, waaraan strenge eisen worden gesteld. Dat eiser het onprettig vindt om steeds door kennissen of zakelijke contacten te worden geconfronteerd met de ‘container-kwestie’ is goed voorstelbaar. Het weegt echter niet op tegen het recht van Google Inc. op informatievrijheid. Daarbij speelt een rol dat niet valt in te zien dat de genoemde artikelen, zoals hij stelt, onnodig diffamerend zijn voor eiser. Dat hij een geschil had met een aannemer, zoals de verschillende media berichten, zegt niets over de verwijtbaarheid van eiser. Ook valt niet in te zien dat het feit dat eiser langer dan nodig in een noodwoning met containers heeft moeten wonen diffamerend is voor eiser. Hij woonde daar immers al maanden.

Categorieën: Onrechtmatige uitingen (privaatrechtelijk), Positie tussenpersonen, Zoekmachine

Tags: , , , , , , , , , ,