Voorzieningenrechter Rotterdam 12 februari 2010 (Verzekeringen Online), LJN BL3956 (ECLI:NL:RBROT:2010:BL3956)



Voorzieningenrechter Rotterdam 12 februari 2010 (Verzekeringen Online), ECLI:NL:RBROT:2010:BL3956, LJN
**BL3956**

Kern van het geschil is het antwoord op de vraag of eisers hebben bemiddeld als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, van de Wft. Daarbij moet onder bemiddelen ingevolge artikel 1:1 van de Wft (voor zover thans van belang) worden verstaan: alle werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst tussen een consument en een aanbieder, of tussen een cliënt en een verzekeraar.


Naar voorlopig oordeel is in het voorliggende geschil geen sprake van het enkele doorverwijzen van consumenten naar een aanbieder, zonder enige inhoudelijke betrokkenheid. Anders dan in situaties die ter beoordeling stonden in de door verzoekers genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2008 (ECLI:NL:RBROT:2010:BL3956, LJN BC8951) en het vonnis van de rechtbank Utrecht van 5 november 2008 (ECLI:NL:RBROT:2010:BL3956, LJN BG3482), waren de activiteiten van eisers ten tijde in geding niet beperkt tot het bieden van een internetplatvorm dat de consument de gelegenheid bood om zelf een e-mailbericht te verzenden naar een aanbieder van een financieel product: het waren eisers die de door haar gevraagde consumentengegevens doorzond naar drie door haar geselecteerde potentiële aanbieders die voor de betreffende lead een vast bedrag aan eisers voldeden. De consumentengegevens die eisers doorzonden aan de bestreffende aanbieder betroffen voorts aanzienlijk meer gegevens dan slechts de NAW-gegevens: blijkens de gedingstukken konden de consumenten voor alle productgroepen door middel van het invullen van de benodigde persoonlijke en financiële gegevens een offerte aanvragen, welke aanvraag vervolgens door eisers werd doorgeleid naar drie potentiële aanbieders. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, moet het er daarbij voor gehouden worden dat die verstrekte gegevens in beginsel voldoende zouden zijn voor het door de aanbieders kunnen uitbrengen van de gevraagde offertes. Onder deze omstandigheden kan niet anders geoordeeld worden dan dat sprake is geweest van werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die gericht waren op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst tussen een consument en een aanbieder.


Categorieën: Bestuursrecht, Financiële dienstverlening, nocategory

Tags: , , , , ,