Voorzieningenrechter ‘s-Gravenhage 7 april 2008 (Fitna), LJN BC8732. (ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8732)




Voorzieningenrechter ‘s-Gravenhage 7 april 2008 (Fitna), LJN BC8732. (ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8732)

Heeft gedaagde jegens moslims in Nederland onrechtmatig gehandeld door in het openbaar de islam en de Koran in verband te brengen met het fascisme en door de profeet Mohammed een barbaar te noemen? Volgens eiseres bestaat voldoende aanleiding om het recht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting te beperken. Ingevolge artikel 10 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting slechts toegestaan, indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de in artikel 10 lid 2 EVRM genoemde belangen, waaronder de bescherming van rechten van anderen. Een soortgelijke bescherming is opgenomen in artikel 7 van de Grondwet. De vraag rijst of toewijzing van één of meer van de vorderingen van eiseres noodzakelijk is ter bescherming van het recht van moslims in Nederland om niet te worden gekrenkt in hun religieuze gevoelens. Het antwoord op de vraag of dit recht in het onderhavige geval zwaarder weegt dan het recht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting, moet worden gevonden door een afweging van alle terzake dienende omstandigheden van het geval. Een verbod kan slechts toewijsbaar zijn ten aanzien van specifieke, onrechtmatig bevonden uitlatingen. Een algemeen verbod tot het doen van uitlatingen in de toekomst tast het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde ontoelaatbaar aan. Dit komt immers neer op preventieve censuur, hetgeen, in strijd is met artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Om die reden komt een dergelijk algemeen verbod, zoals vermeld in de onderdelen 1 en 2 van het gevorderde, niet voor toewijzing in aanmerking. Aan de orde is dan het door eiseres gevorderde specifieke verbod om de profeet Mohammed "barbaar" en de islam alsmede de Koran "fascistisch" te noemen dan wel de termen fascistisch op enigerlei wijze in verband te brengen met de islam en/of Koran, alsmede het verbod om de Koran te betitelen als "islamitische Mein Kampf". Vooropgesteld wordt dat voor bepaalde burgers mogelijk grievende of choquerende uitlatingen op zichzelf geen beletsel zijn voor het genot van het recht op vrijheid van meningsuiting, ook indien een godsdienst onderwerp is van scherpe kritiek (vergelijk onder meer Europees Hof voor de Rechten van de Mens 31 januari 2006, NJ 2007, 200). De uitlatingen van gedaagde in kwestie, beschouwd in hun context, houden rechtstreeks verband met diens politieke opvattingen. Zij zijn als zodanig voor hem van betekenis in het maatschappelijk debat over de positie van de islam in Nederland, de oorzaken van moslimextremisme en integratievraagstukken. Daarbij komt dat in het bijzonder voor een parlementariër geldt dat hij in het openbaar debat ook buiten de Tweede Kamer, zo nodig met scherpte, zijn standpunt naar voren moet kunnen brengen. Eiseres heeft de juistheid van de door gedaagde beschreven passages in de Koran ter onderbouwing van zijn kwalificatie van de profeet Mohammed als ‘barbaar’ niet weersproken. Ten aanzien van de gewraakte associatie van de islam en de Koran met het fascisme en Mein Kampf, constateert de voorzieningenrechter voorts dat eiseres evenmin de opvatting van gedaagde heeft betwist dat binnen de islam bepaalde denkbeelden gehuldigd worden die op gespannen voet staan met democratische beginselen. Anders dan eiseres, is de voorzieningenrechter met gedaagde van oordeel dat de door laatstgenoemde gebezigde term ‘fascisme’ niet zo beperkt moet worden uitgelegd dat deze uitsluitend betrekking heeft op de Holocaust en andere kwaadaardigheden van nazi-Duitsland, maar veeleer moet worden gezien als een verzamelbegrip voor ideologieën met beginselen die een totalitair politiek systeem omarmen dat geen ruimte laat aan andersdenkenden. De bestreden uitlatingen worden niet onrechtmatig geacht. Het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde geeft hier de doorslag. Onderdeel 3 van het gevorderde dient dan ook afgewezen te worden.


Categorie├źn: nocategory, Vrijheid van meningsuiting